1.2 Waarom koop je dat?

Week 38 les 1
Pincode Hoofdstuk 1. Wat heb je nodig
  1. Wat wil je kopen?
  2. Waarom koop je dat?
  3. Sta je sterk als consument?
  4. Kom je uit met je geld?
1 / 16
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 16 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Week 38 les 1
Pincode Hoofdstuk 1. Wat heb je nodig
  1. Wat wil je kopen?
  2. Waarom koop je dat?
  3. Sta je sterk als consument?
  4. Kom je uit met je geld?

Slide 1 - Tekstslide

Waarom koop je dingen?

Slide 2 - Woordweb

In deze les leer je:
  • Waardoor behoeften verschillen
  • Het verschil tussen sociale beïnvloeding en commerciële beïnvloeding
  • De invloed van reclame
  • Hoe je met procenten een getal berekent.

Slide 3 - Tekstslide

Maar nu eerst...
Welke soort behoeften zijn er?

Ik kan mijn behoeften voorzien door goederen of diensten te kopen, wat is het verschil?

Als ik iets koop om mijn behoeften te voorzien noemen we dat ....
Als ik mijn behoeften zelf voorzie noemen we dat ...

Slide 4 - Tekstslide

Hoe schrijf ik 12 euro op de juiste manier?

Slide 5 - Open vraag

Hoe schrijf ik 17 euro en 47 cent?

Slide 6 - Open vraag

Hoe schrijf ik 18000 euro?

Slide 7 - Open vraag

1.2 Waarom koop je dat?

Slide 8 - Tekstslide

Behoeften verschillen
Mensen hebben verschillende behoeften. Dat kan komen door
  • verschil in smaak
  • verschil in geslacht
  • verschil in leeftijd
  • verschil in budget (= het geld waarover je kunt beschikken).

Slide 9 - Tekstslide

Sociale en commerciële beïnvloeding

Als vrienden en familie invloed hebben op jouw keuzes, noem je dat sociale beïnvloeding.

De invloed van winkeliers en fabrikanten op wat jij koopt, noem je commerciële beïnvloeding.
‘Commercieel’ betekent dat ze eraan willen verdienen.

Slide 10 - Tekstslide

Reclame
Met reclame proberen winkeliers en fabrikanten aandacht te trekken voor hun producten. Ze hopen door die reclame meer te gaan verkopen.


Ook kan reclame aantrekkelijk zijn voor consumenten, want:
  • Je leert nieuwe producten kennen.
  • Je ziet soms dat je korting kunt krijgen.

Slide 11 - Tekstslide

Met procenten een getal berekenen
Te berekenen aantal of bedrag = percentage ÷ 100 × totaal

Voorbeeld
Een telefoonabonnement kost € 15 per maand. Je krijgt nu 30% korting. Bereken de korting.
  • De som is: 30% van € 15 = …
  • Berekening: 30% = 30 ÷ 100 = 0,30 (of 0,3)
                                        0,30 × € 15 = € 4,50


Slide 12 - Tekstslide

In een winkel staan schoenen van €69,-. Je krijgt er 35% korting op. Wat is het bedrag van de korting?
A
€44,85
B
€24,15
C
€93,15
D
€25,65

Slide 13 - Quizvraag

De prijs van een computergame was eerst €18,-. De prijs gaat met 5% omhoog. Wat wordt de nieuwe prijs?
A
€0,90
B
€17,10
C
€18,90
D
€19,80

Slide 14 - Quizvraag

Slide 15 - Tekstslide

Maakwerk voor de volgende keer


Paragraaf 1.2 Waarom koop je dat?  
opgaven 17, 18, 19, 20, 21, 23, 25, 26, 27 & 28  maken in je schrift

Slide 16 - Tekstslide