Klas 2 antwoorden formuleren PWW2

Al die puntjes gemist op je toets!!!


Wil je daar ook zo graag vanaf??
Dat kan! 
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
GeschiedenisMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Al die puntjes gemist op je toets!!!


Wil je daar ook zo graag vanaf??
Dat kan! 

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we deze les doen?
1. Per vraagvorm de toets oefenen (met oude PW vragen) 
2. Voorbeelden analyseren
3. Zelf oefenen

Slide 2 - Tekstslide

OUD structuur
O = staat voor omdat.
Je herhaalt de vraag en vult deze aan met het woord omdat.
U = staat voor uitleg.
Je geeft historische uitleg/informatie die antwoord geeft op de gestelde vraag.
D = staat voor daarom of daardoor. Je uitleg wordt gevolgd door daarom/daardoor, omdat je een conclusie gaat trekken uit je historische uitleg. Dit is de afsluiting van je vraag. Een conclusie is altijd kort en bondig geformuleerd.
OUD Methode
OMDAT
UITLEG
DUS


Slide 3 - Tekstslide

1. De NOEM vraag
De eerste vraagvorm die je tegen kan komen is de noem-vraag. Bij een noem-vraag staat meestal het aantal antwoorden dat je moet geven. 

Bv: Noem twee redenen waarom mensen op ontdekkingsreis gingen. (2 pt)

Slide 4 - Tekstslide

1. De noem vraag
Let op: Een noem-vraag heeft maar een kort antwoord nodig, meestal 1 zin. Antwoord geven in 1 of 2 woorden is altijd fout.

Slide 5 - Tekstslide

Noem twee oorzaken voor het Rampjaar 1672 (2 pt)

Slide 6 - Open vraag

2. De leg uit-vraag
Dit is de meest voorkomende vraagvorm op een proefwerk. 
Bij een leg uit-vraag moet je antwoord bestaan uit een klein verhaaltje.

 Er moet ook altijd een korte conclusie in je antwoord zitten waarbij je een deel van de vraag herhaalt.

Slide 7 - Tekstslide

2. De Leg uit-vraag
VB: Leg uit waarom het nodig was om in de Nederlanden de VOC op te richten.

Je antwoord moet dus bestaan uit een klein verhaaltje waarin je de reden van het ontstaan van de VOC omschrijft. Let op dat je afsluit met een conclusie!!
TIP: Als er een begrip in de vraag staat, leg dat dan altijd kort uit in je antwoord.


Slide 8 - Tekstslide

Leg uit waarom het nodig was om in de Nederlanden de VOC op te richten.

Slide 9 - Open vraag

2. De Leg uit-vraag
Leg uit waarom het nodig was om in de Nederlanden de VOC op te richten.

In de Nederlanden waren er veel compagnieen die met Indie handelden. Zij concureerden met elkaar en zo bleef de prijs van producten laag.
De VOC kreeg een monopolie op de handel met het oosten (=begrip). Hierdoor was er geen concurrentie meer en stegen de prijzen. 
Het was dus nodig om meer geld te verdienen. (= conclusie)

Slide 10 - Tekstslide

3. De vergelijkingsvraag
 Een iets moeilijkere vraagvorm is de vergelijkingsvraag
Bij deze vraag moet je vaak twee of meer dingen met elkaar vergelijken. 

Zo’n antwoord bestaat daarom altijd uit meerdere delen. Wanneer je twee dingen met elkaar moet vergelijken bestaat je antwoord dus uit twee delen

Slide 11 - Tekstslide

3. De vergelijkingsvraag
VB: Vergelijk de WIC en de VOC met elkaar op 2 punten. (2 pt)


Slide 12 - Tekstslide

Vergelijk de WIC en de VOC met elkaar op 2 punten. (2 pt)

Slide 13 - Open vraag

4. De Stellingvraag
Bij deze vraag krijg je één of meer stellingen en wordt je gevraagd hier iets over te zeggen. 

Soms moet je jouw mening erover geven, of laten zien waarom de stelling waar of nietwaar is. Wat je moet onthouden is dat je altijd argumenten moet geven. (feiten uit het boek)

Slide 14 - Tekstslide

4. De Stellingvraag
VB: Stelling: Het is logisch dat een absoluut vorst maar één godsdienst tolereert in zijn land. 
Leg uit dat bovenstaande stelling klopt.

LET OP: Dit is dus ook een leg uit vraag!!

Slide 15 - Tekstslide

VB: Stelling: In 1648 werd de oorlog met Spanje beëindigd. De stadhouder was hier niet tevreden over. Waarom niet?

Slide 16 - Open vraag

4. De Stellingvraag
VB: Stelling: 
Een stadhouder is legeraanvoerder ten tijde van de Republiek(=begrip). 
Deze persoon is dus belangrijk als er een oorlog is. Is er vrede: dan is hij minder belangrijk.
Dat is de reden dat de stadhouder niet per se tevreden zou zijn met vrede. 

Slide 17 - Tekstslide

5. De inzichtvraag
Er zijn verschillende inzichtvragen.
Meestal moet je een verband uitleggen:
- oorzaak-gevolg
- verband tussen begrippen
- verband tussen bron en begrip (hoort bij de bronvraag)
enz. 

Slide 18 - Tekstslide

5. De inzichtvraag
Let op: Je antwoord moet bij een inzichtvraag altijd uit meerder delen bestaan. 
Vaak kun je in de vraag zien uit hoeveel delen:
- Verband tussen begrip 1 en begrip 2 = 2 delen (2 pt)
- Verband tussen oorzaak en gevolgen = minstens 2 delen (2 pt)

Slide 19 - Tekstslide

5. De inzichtvraag
VB: Lodewijk XIV vond het belangrijk dat het katholieke geloof werd verspreid in zijn land. Hij vervolgde dan ook protestanten. Waarom zou een absoluut vorst zoals Lodewijk maar één geloof tolereren in zijn land? 

TIP: Er zit een begrip in de vraag, leg deze kort uit.
Leg daarna uit wat dat begrip te maken heeft met de macht van de koning.
Eindig met een conclusie (het is immers een leg-uit vraag)

Slide 20 - Tekstslide

Lodewijk XIV vond het belangrijk dat het katholieke geloof werd verspreid in zijn land. Hij vervolgde dan ook protestanten. Waarom zou een absoluut vorst zoals Lodewijk maar één geloof tolereren in zijn land?
(I1p)

Slide 21 - Open vraag

5. De inzichtvraag


Lodewijk XIV was een absoluut vorst, dat betekent dat hij de absolute macht heeft in zijn land en zonder parlement of regering beslissingen hoeft te nemen.
De absolute koning in Frankrijk bepaalde zelf het beleid en had voordeel aan één geloof in het land die zijn macht versterkte. De kerk bevestigde namelijk zijn 'goddelijk recht' om te besturen.
Vandaar dat de absolute koning in Frankrijk niet verdraagzaam was naar andere geloven. 

Slide 22 - Tekstslide

6. De bronnenvraag
De bronnenvraag is meestal een combinatie van een inzichtvraag met een leg uit vraag
In plaats van dat je twee gebeurtenissen bv met elkaar moet verbinden moet je vaak iets met de bron verbinden. 
BV: Welk begrip past bij de bron? 
Wat is de mening van de maker van de bron?
Is de bron bruikbaar voor....?

Slide 23 - Tekstslide

6. De bronnenvraag
Bij een bronnenvraag moet je altijd verwijzen.
Dat betekent dat je letterlijk iets uit de bron moet benoemen!! Datgene wat je benoemt moet jouw antwoord ondersteunen/bewijzen. 

Slide 24 - Tekstslide

Leg, met behulp van de bron, uit dat er in Frankrijk in de tijd van deze schrijver sprake was van absolutisme. 
Bron 7
Fragment uit het dagboek van de protestantJean Migault. Hij schrijft hier over een stel soldaten dat hem komt lastigvallen in Parijs. 
‘Wat ze nodig hadden namen ze mee; de rest, mét ons vaatwerk, onze bedden en kleren, brachten ze naar een zekere La Fontaine-Banlier, die kort tevoren rooms [katholiek] geworden was, en ruilden alles in voor wijn. Dronken vernielden ze onze meubels. Toen alles op was vertrokken ze, op twee na, die zich op aanwijzingen van de pastoor door de smid zware ijzeren hamers lieten brengen, waarmee ze al onze bezittingen kort en klein sloegen, tot er niets bruikbaars meer over was.’

Slide 25 - Tekstslide

6. De bronnenvraag 
Leg, met behulp van de bron, uit dat er in Frankrijk in de tijd van deze schrijver sprake was van absolutisme. 
Stappenplan voorbeeldvraag:
1. Zeg eerst LETTERLIJK wat je ziet/leest in de bron.
2. Leg daarna uit wat dat te maken heeft met de vraag, in dit geval met het begrip absolutisme. (begrip dus kort uitleggen)
3. Eind met een conclusie. (verlicht bij de leg-uit vraag)

Slide 26 - Tekstslide

Leg, met behulp van de bron, uit dat er in Frankrijk in de tijd van deze schrijver sprake was van absolutisme.

Slide 27 - Open vraag

6. De bronnenvraag 
Leg, met behulp van de bron, uit dat er in Frankrijk in de tijd van deze schrijver sprake was van absolutisme. 
In de bron lees ik dat de spullen van een hugenoot werden vernietigd.
Tijdens het absolutisme was er maar één godsdienst toegestaan in Frankrijk.
Mensen met een andere godsdienst, zoals de schrijver, van de bron werden dus aangevallen of verbannen. 

Slide 28 - Tekstslide