kopen en prijzen benoemen

1 / 35
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsISK

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

pak je  telefoon

Slide 2 - Tekstslide

Wat is de datum van vandaag?
Het is vandaag vrijdag ........ januari.
A
28 januari
B
29 januari
C
30 januari
D
31 januari

Slide 3 - Quizvraag

Hoe gaat het met je?
😒🙁😐🙂😃

Slide 4 - Poll

Wat deden we vorige week?
Welke woorden weet je nog?

Slide 5 - Woordweb

kopen en prijzen benoemen

KOPEN IN NEDERLAND 🛒 Supermarkt 🏪 Winkel

 Wat is dit?/ Hoe heet dit?                           €  


Slide 6 - Tekstslide

kopen en prijzen benoemen

KOPEN IN NEDERLAND 🛒 Supermarkt 🏪 Winkel
Wat is een folder/reclameblad?

  • Een folder is een papier van de winkel.
  • In de folder staan spullen en prijzen.
  • Je ziet wat goedkoop is.
  • Je krijgt de folder in de brievenbus of in de winkel.

  • Ik lees in de folder.
  • Dit brood is in de aanbieding.
  • De appels zijn goedkoop.

  • Wat is een aanbieding?

  • De winkel zegt: nu is het goedkoper.
  • Je betaalt minder geld.

Slide 7 - Tekstslide

Woorden:
reclameblad / folder
aanbieding
euroteken (€)

Samen zinnen maken:
Ik wil kopen …
Wat kost het?
Het kost …
Ik betaal met …

Slide 8 - Tekstslide


KOPEN IN NEDERLAND 🛒 Supermarkt 🏪 Winkel
 Prijzen lezen:

Kijk goed!!! Is dit euro of cent    €0,99?

Lees : €2,50 / €1,15 /  €143,95 / 1275,50 / €7,89 / €12,00

Is €0,99 meer dan €1,00  ja of nee?




Slide 9 - Tekstslide

kopen en prijzen benoemen

KOPEN IN NEDERLAND 🛒 Supermarkt 🏪 Winkel
Wat kost dit?
Het kost ........

Slide 10 - Tekstslide

kopen en prijzen benoemen

KOPEN IN NEDERLAND 🛒 Supermarkt 🏪 Winkel
Wat hebben we geleerd vandaag?
Prijzen herhalen en beter lezen
Bedragen optellen
Praten over goedkoop en duur
Een boodschappenlijst maken met totaalprijs

Slide 11 - Tekstslide

1.
  • Wat is dit?

  • Wat zie je?

  • Waar koop je dit?

Slide 12 - Tekstslide

1. Woorden in deze les:

  • kopen
  • winkel
  • supermarkt
  • prijs
  • euro
  • cent
  • betalen

Slide 13 - Tekstslide

2. Cijfers & prijzen leren uitspreken

  • €1,00 = één euro 

  • €1,50 = één euro vijftig

  • €2,25 = twee euro vijfentwintig

  • €0,99 = negenennegentig cent

Slide 14 - Tekstslide

2. Grote prijzen


  • €16,52 = zestien euro tweeënvijftig 


  • €112,39 = honderdtwaalf euro negenendertig 


  • €1.299,00 =twaalfhonderdnegenennegentig euro of 
  • duizendtweehonderdnegenennegentig euro

Slide 15 - Tekstslide

2. Uitspreken  van prijzen:








  • € 3,30 
  • € 5,75
  • €20,00
  • €45,99
  • €112,39 
  • €100,50
  • €1.299,00 

Slide 16 - Tekstslide

3. Cijfers en rangtelwoorden

  • 1 = eerste      
  • 2 = tweede    
  • 3 = derde      
  • 4 = vierde      
  • 5 = vijfde        

Slide 17 - Tekstslide

 4. Boodschappenlijst. 
Knip 5 producten  uit de folder.
Plak ze op papier.
Je hebt een boodschappenlijst gemaakt.

Ik wil kopen : brood          € 1,99             
Ik wil kopen : melk            € 0,99
Ik wil kopen : appels         € 2,49

Ik wil kopen ...........
Het kost ........ euro.......
Samen kost het ........euro

Slide 18 - Tekstslide

10 minuten

Slide 19 - Tekstslide

5. Rollenspel:

  • Ik wil kopen ........       

  • Dat kost .........

  •  Hoe wilt u betalen ?

  • Ik betaal met ......   ( pin - contant - telefoon)

Slide 20 - Tekstslide

5. Rollenspel in tweetallen:

Bijvoorbeeld:
  • Alex(klant): 
  • Ik wil kopen ........  ( kijk in de folder of gebruik je boodschappenlijstje bijv. brood, €2,- suiker €1,50, vis €3,10)

  •  Lingli (verkoper):  
  •  Dat is € 6,60 samen
  •  Hoe wilt u betalen ?

  •   Alex:                                                                                               
  •   Ik betaal met ......   ( pin - contant - telefoon - bankpas)

Slide 21 - Tekstslide

6. Folder MediaMarkt (gebruik je telefoon).
   Kies 1 product (bijv. een telefoon)

  • Vertel: 
  • Ik koop een .......
  • Het kost .......
  • Ik betaal met ......
  • Ik koop dit in de  winkel/online

  • voorbeeld:
  • Ik koop een telefoon.
  • Het kost honderdtwintig euro vijftig.
  • Ik betaal met pin.


      Slide 22 - Tekstslide

      7. We maken een rondje. 
      • Iedereen zegt 3 zinnen.

      • 1. Ik koop ....
      • 2. Het kost .... euro.
      • 3. Ik betaal met pin/geld.

      • Ik doe eerst een voorbeeld.

      • Ik koop een brood.
      • Het kost 2 euro.
      • Ik betaal met pin.



            Slide 23 - Tekstslide


            Hoe vond je 
            deze les?
            😒🙁😐🙂😃

            Slide 24 - Poll

            Tot volgende week

            Slide 25 - Tekstslide

            Prijskaartjes lezen

            • € 1, 00
            • € 1, 50
            • € 2,25
            • € 5,00
            • €10,00
            • €16,52
            • €45,99
            • €112,39

            Slide 26 - Tekstslide

            Spreekkaartjes

            Slide 27 - Tekstslide

            We gebruiken spreekkaartjes

            Iedereen oefent deze zinnen:
            "Ik koop een …"
            "Het kost … euro"
            "Ik betaal met …"

            Kies:
            pin
            contant
            bankpas
            telefoon

            Slide 28 - Tekstslide

            Gesprek 1
            • Klant: Hallo

            • Verkoper: Hallo

            • Klant: Ik koop een appel
            • Verkoper
: Het kost 1 euro

            • Klant: Ik betaal met pin
            • Verkoper: Dank je wel

            Gesprek 2
            • Klant: Goedemiddag
            • Verkoper: Goedemiddag
            • 
Klant: Ik koop een brood
            • Verkoper: Het kost 2 euro
            • Klant: Ik betaal contant
            • 
Verkoper: Dank je wel

            Slide 29 - Tekstslide

            Gesprek 3
            • Klant: Goedemorgen
            • Verkoper: Goedemorgen
            • Klant: Ik koop een melk

            • Verkoper: Het kost 1 euro

            • Klant: Ik betaal met bankpas

            • Verkoper: Dank je wel

            Gesprek 4
            • Klant: Goededag 

            • Verkoper: Goededag
            • Klant: Ik koop een banaan

            • Verkoper: Het kost 1 euro

            • Klant: Ik betaal met telefoon
            • Verkoper: Dank je wel

            Slide 30 - Tekstslide

            Opdracht supermarkt

            Maak een boodschappenlijst kies 5 producten.
             

            • Wat wil je kopen ?
            • Wat kost  het ?
            . Ik betaal met pin/contant/telefoon

            Slide 31 - Tekstslide

             Boodschappenlijstje:
             Brood  
             Melk     
             Appels  

            Zinnen met ..........
            • Ik wil kopen: brood €1,99 
            • Ik wil kopen :melk €0,99
            •  Ik wil kopen: appels €2,49

            •  Ik wil kopen ......

            • Het kost .... euro ...

            • Samen kost het ........ euro

            Slide 32 - Tekstslide

            Betalen

            •  contant

            •  pin

            •  bankpas

            •  telefoon

            Slide 33 - Tekstslide

              Wat koop jij?      Wat kost het?         Hoe betaal je?

            Opdracht:
            Kijk in de MediaMarkt-folder.       Kies 1 product
            Bijvoorbeeld:
            telefoon
            tv
            koptelefoon
            laptop
            speaker

            Vertel:
            Ik koop een …………………
            Het kost …………… euro ……………
            Ik betaal met: ☐ pin ☐ contant ☐ bankpas ☐ telefoon

            Slide 34 - Tekstslide

            MediaMarkt-opdracht:

            Kies 1 product 
            Zeg:
             Ik koop  een …........
             Het kost …....
             Ik betaal met …....
            Ik koop dit in de winkel/online

            Voorbeeld:
            Ik koop een telefoon.
            Het kost honderdtwintig euro vijftig.
            Ik betaal met pin

            Slide 35 - Tekstslide