M7 Elektriciteit E=Pxt en P=UxI

Oriënteren H7 Elektriciteit
Elektriciteit
1 / 56
next
Slide 1: Slide
Natuurkunde / ScheikundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 56 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Oriënteren H7 Elektriciteit
Elektriciteit

Slide 1 - Slide

Leerdoelen 
  • Je weet wat kortsluiting en wat overbelasting is;
  • Je kunt uitleggen wat het vermogen van een apparaat te maken heeft met het energieverbruik;
  • Je kunt rekenen met energie = vermogen x tijd;
  • Je kunt berekenen hoeveel je moet betalen als je het energieverbruik kent.




Slide 2 - Slide

Het zenuwstelsel bestaat uit het centrale zenuwstelsel en uit perifere zenuwstelsel.
A
1 = juist
B
2 = onjuist

Slide 3 - Quiz

Wanneer word je je bewust van een waarneming?
A
Als er een prikkel in je zintuig komt.
B
Als de impuls in de hersenen is verwerkt.
C
Als de prikkel omgezet wordt in een impuls.
D
Als je met je ogen knippert.

Slide 4 - Quiz

1
2
3
4
5
6
Fatih merkt dat hij pijn heeft.
Fatih raakt een hete pan aan.
In zijn huid wordt de prikkel omgezet naar een impuls..
Fatih trekt zijn hand weg.
Zijn hersenen sturen een impuls naar zijn spieren..
Het "bericht" gaat naar zijn hersenen.

Slide 5 - Drag question

Prikkel
Reactie
Zet de onderstaande woorden in de juiste volgorde. Welke weg gaat de prikkel tot bewustwording en reactie.
Zintuig
Bewustwording
Impuls terug via schakelzenuwcel
Gevoelszenuwcel
Bewegingszenuwcel
Spier/klier
Impuls
Schakelzenuwcel

Slide 6 - Drag question

Hoe verloopt deze reflexboog?
A
Blauw - Geel - Groen
B
Groen - Geel - Blauw
C
Kan beide kanten op

Slide 7 - Quiz

zenuwcellen geleiden ......
A
prikkels
B
impulsen

Slide 8 - Quiz

Welke zenuwcel is de sensorische zenuwcel (gevoelszenuwcel)?
A
Type 1
B
Type 2
C
Type 3

Slide 9 - Quiz

Wat voor type zenuwcel is zenuwcel 1?
A
Bewegingszenuwcel
B
Schakelcel
C
Gevoelszenuwcel

Slide 10 - Quiz

Bij kortsluiting ...
A
staan er te veel apparaten aan
B
loopt de stroom direct terug naar de spanningsbron
C
beschermt de aardlekschakelaar
D
gaat de stroom via randaarde weg

Slide 11 - Quiz

Een gevaar van kortsluiting en overbelasting is dat er...
A
Brand kan ontstaan
B
Lampjes doorbranden
C
De expert boos wordt
D
Je apparaat stuk kan gaan

Slide 12 - Quiz

Hoeveel ampère mag er door 1 groep en hoe heet het als het daar overheen gaat?
A
14 A en overbelasting
B
14 A en kortsluiting
C
16 A en overbelasting
D
16 A en kortsluiting

Slide 13 - Quiz

Bij kortsluiting wordt de stroom afgesloten door
A
door de energie maatschappij
B
zekering
C
aardlekschakelaar
D
aarderail

Slide 14 - Quiz

Een aardlekschakelaar....
A
meet de uitgaande stroom
B
meet de ingaande stroom
C
vergelijkt de ingaande met de uitgaande stroom
D
controleert of de draden overbelast worden

Slide 15 - Quiz

wat is dit?
A
randaarde
B
zekering
C
dubbele isolatie
D
aardlekschakelaar

Slide 16 - Quiz

Wat doet een aardlekschakelaar
A
Schakelaar die iets uit of aan zet.
B
Schakelt de stroom uit van een groep zodra er ergens stoom lekt.
C
Daarmee kan je meten hoeveel stroom er in de aarde zit.
D
Alle antwoorden zijn goed.

Slide 17 - Quiz

De aardlekschakelaar reageert op een lekstroom. Wat is een lekstroom?
A
Stroom die blijft lopen als een schakelaar uit staat.
B
Stroom die vanuit de installatie naar de aarde stroomt
C
Stroom die van de pluspool naar de minpool stroomt

Slide 18 - Quiz

Energieverbruik van elektrische apparaten
De hoeveelheid energie die een apparaat per tijdseenheid verbruikt, 
noem je het vermogen van dat apparaat. 
Het symbool voor vermogen is P.
De eenheid van vermogen is watt (W).

Slide 19 - Slide

Zaklamp A heeft een vermogen van 5 W en zaklamp B heeft een vermogen van 10 W.

Welke zaklamp heeft het grootste vermogen?
A
zaklamp A
B
zaklamp B
C
Dit hangt af van de spanning
D
Dit hangt af van de stroom

Slide 20 - Quiz

Een apparaat met een klein vermogen gebruikt per 
tijdseenheid weinig
energie. 

Maar een apparaat met een GROOT vermogen 
gebruikt per tijdseenheid veel
energie. 


Slide 21 - Slide

Energieverbruik van elektrische apparaten
Op het typeplaatje van een apparaat staat het vermogen vermeld van het apparaat.

Slide 22 - Slide

Energiegebruik van elektrische apparaten

Energie druk je uit in watt (W)

Slide 23 - Slide

Vermogen
Vermogen

P = het vermogen in watt (W)
U = de spanning in volt (V)
I = de stroomsterkte in ampère (A)



P=UI

Slide 24 - Slide


Tijdens het starten van een auto levert 
de accu van 12 V een stroom van 50 A.
Bereken het vermogen.
  • P = U x I = 12 x 50 = 600 W

Slide 25 - Open question

Energieverbruik
Het Energieverbruik van een apparaat hangt af van het vermogen en de tijd dat het apparaat aanstaat.

Tijd voor een nieuwe eenheid: kWh
P × t = E
vermogen (kW) × tijd (h) = verbruik (kWh)
Het rekenen in Watt geeft erg hoge getallen.
De energiemeter in huis rekent in kiloWattuur.


Slide 26 - Slide

Formules
Vermogen

Verbruik
P=UI
E=Pt
E is energieverbruik in kilowattuur kWh)
P is vermogen in kilowatt (kW)     
t is tijdsduur in uur (h)

P=tE
t=PE

Slide 27 - Slide

Wat kost meer Energie?
10 minuten stofzuigen of 8 uur tv kijken?
A
10 minuten stofzuigen
B
8 uur tv kijken
C
beide evenveel
D
kun je niet zeggen

Slide 28 - Quiz

Rekenen in kilowattuur
Voorbeeld: Een stofzuiger met een vermogen van 1400 W wordt 1,5 uur gebruikt.
Bereken de Energie in kWh.

Gegeven: P = 1400 W = 1,4 kW, t = 1,5 h
Gevraagd: E = ? kWh
Formule: E = P x t
Berekening: E = 1,4 x 1,5 = 2,1
Antwoord: Het energiegebruik van de stofzuiger is 2,1 kWh



Slide 29 - Slide

Energiekosten berekenen
energiekosten = energiegverbruik x prijs van 1 kWh

Slide 30 - Slide

Denk aan een frikandelbroodje kopen
Prijs = Aantal broodjes x prijs van 1 broodje
x
=
€1,9

Slide 31 - Slide

Energiekosten berekenen
De Energiekosten vind je door de energie te vermenigvuldigen met de prijs van 1 kWh.


Slide 32 - Slide

Energiekosten berekenen
Wat zijn de Energiekosten van de stofzuiger uit het voorbeeld?
Het energiegebruik van de stofzuiger is 2,1 kWh
Momenteel betreft de stroomprijs gemiddeld €0,32 per kWh.

Energiekosten = energie x prijs van één kWh

Energiekosten = 2,1 x €0,32 = €0,67

Slide 33 - Slide

Even oefenen!
De lampen van het ADO stadion hebben een vermogen van 112 kW en staan gedurende 2,5 uur aan.
Bereken de Energiekosten.
1kWh = €0,32

Slide 34 - Slide

Even oefenen!
Gegeven: P = 112 kW,      t = 2,5 h
Gevraagd: Energiekosten in €
Formule:  E = P x t
Berekening: E = 112 x 2,5 = 280 kWh

Energiekosten = E x prijs van één kWh
Energiekosten = 280 x €0,32 = €89,60
Antwoord: De energiekosten van de verlichting is €89,60

Slide 35 - Slide

Wat weet je al???

Slide 36 - Slide

Hoeveel kW is 430 W?
A
0,43
B
4,3
C
43000
D
430000

Slide 37 - Quiz

Het symbool voor de eenheid van Energie
A
P
B
E
C
W
D
kWh

Slide 38 - Quiz

Op een spaarlamp staat: 230 V/23 W/50 Hz.

Hoe groot is de spanning over de lamp als hij brandt op maximaal vermogen?
A
230 V
B
23 W
C
50 Hz
D
0,1 A

Slide 39 - Quiz

Het symbool voor de grootheid Energie
A
P
B
E
C
W
D
kWh

Slide 40 - Quiz

Een gloeilamp heeft een vermogen van 60 W. De lamp brandt 10 uur.

Wat is het energieverbruik?
A
0,6 kWh
B
0,6 Wh
C
600 kW
D
0,06 kWh

Slide 41 - Quiz

Het energieverbruik van een gloeilamp is 0,6 kWh.
1kWh kost €0,32

Bereken de energiekosten.

A
€ 0,0192
B
€ 0,192
C
€ 1,92
D
€ 19,2

Slide 42 - Quiz

Om Energie te berekenen moet je
het vermogen P in ..... zetten?
A
W
B
kW
C
kWh
D
h

Slide 43 - Quiz

Om de kosten van Energie te berekenen moet je
het vermogen P in ..... zetten?
A
W
B
kW
C
J
D
h

Slide 44 - Quiz

Je kunt nu .....
  • uitleggen wat het vermogen van een apparaat te maken heeft met het energieverbruik.
  • rekenen met energie = vermogen x tijd;
  • berekenen hoeveel je moet betalen als je het energieverbruik kent.

Slide 45 - Slide

Ja, dat kan ik!
😒🙁😐🙂😃

Slide 46 - Poll

  • Maken opdracht 3, 4 en 9 (Oefenopgaven M7 It's  Learning) Dit is tevens huiswerk voor 20/3
  • Klaar? Ga dan verder met de poster van het zenuwstelsel


Slide 47 - Slide

Kosten energiegebruik berekenen
Je kunt de energiekosten van een apparaat bereken, wanneer je de kWh-prijs weet.
Als eerste bereken je het energiegebruik. E=Pxt
Vervolgens vermenigvuldig je de uitkomst in kWh met de kWh-prijs.
Voorbeeld:
  • Vermogen lamp = 50W en tijd hoe lang de lamp brandt= 8h > 50W is 0,05 kW
  • E=0,05x8. Dus het energieverbruik is 0,4 kWh
  • De kWh-prijs is € 0,22.
  • Energieverbruik x kWh- prijs. Dus 0,4 kWh x € 0,22 = € 0,09
  • De kosten voor 8 uur een lamp te laten branden van 50W zijn € 0,09
Er volgen nu een aantal oefeningen

Slide 48 - Slide

Evert staat zijn huis te stofzuigen. De stofzuiger heeft een vermogen van 1200W. 1kWk kost €0,23. Na een half uur is hij klaar. Bereken de energiekosten van een half uur stofzuigen.

Slide 49 - Open question

Een wasmachine heeft een vermogen van 2200 W. Één wasprogramma duurt 80 minuten. Je draait elke dag één was. De kWh-prijs is €0,25. Hoeveel kost een jaar wassen?

Slide 50 - Open question

Energiegebruik berekenen
Gegeven: P = 80 W,      t = 40 min = 40 : 60 =  0.67
Gevraagd: E = ? kWh

Formule:  E = P x t

Berekening: E = 80 x 0,67 = 153,3 kWh

Antwoord: Het energiegebruik van de stofzuiger is 153,3 kWh

Slide 51 - Slide

De volgende dia is herhaling 
De dia bevat een extra uitleg over de verdeling van de stroom in een serie- en in een parallelschakeling.

Slide 52 - Slide

Een wasmachine heeft een vermogen van 2200 W. Één wasprogramma duurt 80 minuten. Je draait elke dag één was. De kWh-prijs is €0,25. Hoeveel kost een jaar wassen?

Slide 53 - Open question

Energieomzettingen

Slide 54 - Slide

Slide 55 - Video

Vermogen

Het vermogen wordt meestal opgegeven in watt (W) of in kilowatt (kW). 

Als het vermogen kan verschillen, wordt de maximale waarde opgegeven. 

Dat is bijvoorbeeld het geval bij een stofzuiger met regelbare zuigkracht.

Slide 56 - Slide