V4 herhaling paragraaf 2.2 t/m 2.6

Wind waait altijd van een hogedrukgebied naar een lagedrukgebied.
A
waar
B
niet waar
1 / 50
next
Slide 1: Quiz
AardrijkskundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 50 slides, with interactive quizzes.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Wind waait altijd van een hogedrukgebied naar een lagedrukgebied.
A
waar
B
niet waar

Slide 1 - Quiz

Welke omschrijving klopt NIET met de wet van Buys Ballot?
A
Wind waait van hoge naar lagedrukgebieden
B
De wind heeft een afwijking door de draaiing van de aarde
C
De wind heeft op het zuidelijk halfrond een afwijking naar rechts
D
Op het noordelijk halfrond waait de wind met de klok mee rond een hogedrukgebied

Slide 2 - Quiz

Een passaat is een wind die
A
waait tussen de subtropische hoge druk gebieden en de evenaar
B
elk half jaar van richting verandert
C
waait van noord naar zuid

Slide 3 - Quiz

Een wind die vanaf de zee naar het land waait → aanlandige wind
A
Juist
B
Onjuist

Slide 4 - Quiz

Aanlandige wind is in de winter een relatief warme wind en in de zomer een relatief koude wind.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 5 - Quiz

Het ITCZ is een verschuiving van
A
de hogedruk gebieden
B
de lagedruk gebieden

Slide 6 - Quiz

Het ITCZ
A
verschuift overal precies heen en weer tussen de keerkringen (23,5 graad)
B
verschuift over land meer mee dan over zee
C
verschuift over zee meer mee dan over land

Slide 7 - Quiz

In juli verschuift het ITCZ
A
naar het noorden
B
naar het zuiden
C
niet

Slide 8 - Quiz

De intertropischeconvergentiezone (ITCZ) is altijd een
A
Maximum
B
Minimum

Slide 9 - Quiz

Bekijk de afbeelding over de ITCZ.

Welk klimaat vind je in het gebied van de ITCZ.
A
Landklimaat
B
Droog klimaat
C
Gematigd klimaat
D
Tropisch klimaat

Slide 10 - Quiz

Op de locatie van de ITCZ is er:
A
Droogte
B
Stijgingsregen
C
Stuwingsregen
D
Frontale regen

Slide 11 - Quiz

Bekijk de afbeelding over de ITCZ.

Welke situaties horen bij de ITCZ?
A
Lage druk, stijgende lucht, veel neerslag
B
Lage druk, stijgende lucht, weinig neerslag
C
Hoge druk, dalende lucht, weinig neerslag
D
Hoge druk, dalende lucht, veel neerslag

Slide 12 - Quiz

In januari ligt de ITCZ
A
op de evenaar
B
ten zuiden van de evenaar
C
ten noorden van de evenaar

Slide 13 - Quiz

Hoe-hoe regel Zeestromen
Hoe warmer de zeestroom, hoe
A
warmer de lucht
B
kouder de lucht
C
droger de lucht
D
vochtiger de lucht

Slide 14 - Quiz

Wat drijft zeestromen aan
A
aardbevingen
B
vulkanisme op oceaanbodem
C
wind
D
de zee stuurt zichzelf aan

Slide 15 - Quiz

Bekijk de figuur. De zeestroom met het cijfer 2 is een voorbeeld van een relatief koude zeestroom.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 16 - Quiz

Een koude zeestroom zorgt voor...
A
Minder verdamping dus meer neerslag
B
Minder verdamping dus minder neerslag
C
Meer verdamping dus meer neerslag
D
Meer verdamping dus minder neerslag

Slide 17 - Quiz

De warme zeestroom zorgt in Nederland voor een...
A
Zachte winter, koele zomer
B
Strenge winter, hete zomer
C
Nat klimaat
D
Droog klimaat

Slide 18 - Quiz

Twee beweringen:
1. Een koude zeestroom is wat temperatuur betreft altijd kouder dan een warme zeestroom
2. Bij een koude zeestroom voor de kust is de kans op neerslag kleiner dan bij een warme zeestroom
A
Beide beweringen zijn juist
B
Beide beweringen zijn onjuist
C
Bewering 1 is juist, 2 onjuist
D
Bewering 1 is onjuist, 2 juist

Slide 19 - Quiz

Als er geen wind- en zeestromen zouden zijn, waar zou het dan warmer worden?
A
De Noordpool
B
De Evenaar
C
Landinwaarts
D
Gematigde breedten aan zee

Slide 20 - Quiz

Welke uitspraak over zeestromen is juist?
A
Een warme zeestroom stroomt van een gebied op hoge breedte naar een gebied op lage breedte.
B
Een koude zeestroom bestaat uit opwellend diepzeewater.
C
Een warme zeestroom stroomt vanuit een relatief warm gebied naar een kouder gebied.
D
Koude zeestromen komen alleen voor rondom Antarctica.

Slide 21 - Quiz

Ik weet dat een moesson een passaat is die de evenaar kruist.
A
Ja
B
Nee

Slide 22 - Quiz

Een passaat is een wind die
A
waait tussen de subtropische hoge druk gebieden en de evenaar
B
elk half jaar van richting verandert
C
waait van noord naar zuid

Slide 23 - Quiz

Welke term hoort er niet bij:
Lagedrukgebied, ITCZ, Passaat, Atmosferische luchtcirculatie, Moesson

A
ITCZ
B
Passaat
C
Atmosferische luchtcirculatie
D
Moesson

Slide 24 - Quiz

Vraag 3B
Wat is de juiste volgorde?
A. Voor de kust bevindt zich een warme zeestroom
B. De passaten drijven de lucht in westelijke richting
C. Hierdoor wordt de luchtmassa boven het water ook opgewarmde
D. Boven land koelt de lucht af en het gaat regenen
E. Deze warme lucht kan relatief veel vocht bevatten
A
D - C - A - B - E
B
A - C - B - D - E
C
A - C - E - B - D
D
A - E -C - D - B

Slide 25 - Quiz

Waardoor beweegt de ITCZ zich tussen 23,5 NB en 23,5 ZB
A
Door de passaat
B
Door de zon
C
Door de zee
D
Door de westenwind

Slide 26 - Quiz

Een plek waar (relatief) warme lucht opstijgt noemen we:
A
Een passaat
B
Een hogedrukgebied
C
Een lagedrukgebied
D
De evenaar

Slide 27 - Quiz

Hoe noemen we de periode met veel neerslag in India?
A
Passaten
B
ITCZ
C
Moesson
D
Zomer

Slide 28 - Quiz

Tussen 0 en 30 graden NB
waait volgens deze
afbeelding een
A
ZO-passaat
B
NO-passaat
C
ZW-wind
D
NW-wind

Slide 29 - Quiz

Van 90 graden naar 60 graden waait een
A
Passaat
B
Moessonwind
C
Poolwind
D
Westewind

Slide 30 - Quiz

Stijgingsregens ontstaan voornamelijk bij...
A
Aanlandige wind
B
Botsing van warme en koude lucht
C
Relief
D
De evenaar

Slide 31 - Quiz

Bij gebergten komt vooral stijgingsregens voor
timer
0:30
A
waar
B
niet waar

Slide 32 - Quiz

Wat zie je hier?
A
warme regen
B
stijgingsregen
C
stuwingsregen
D
frontale regen

Slide 33 - Quiz

Hebben wij in Nederland ook stuwingsregen?
A
Ja
B
Nee

Slide 34 - Quiz

Welke afbeelding laat
het ontstaan van
frontale neerslag zien?
A
afbeelding A
B
afbeelding B
C
Afbeelding C
D
geen van de 3 afbeeldingen laat het ontstaan van stuwingsregens zien.

Slide 35 - Quiz

Hoe ontstaat stuwingsregen?
A
Lucht stijgt op, koelt af en er ontstaat neerslag
B
Lucht stijgt op, warmt op en er ontstaat neerslag
C
Lucht daalt, koelt af en er ontstaat neerslag
D
Lucht daalt, warmt op en er ontstaat neerslag

Slide 36 - Quiz

Aan de loefzijde is ?
A
Stijgingsregen
B
Stuwingsregen

Slide 37 - Quiz

De klimaatgrafiek hoort bij
A
landklimaat
B
Gematigd zeeklimaat
C
middellands zeeklimaat
D
toendraklimaat

Slide 38 - Quiz

klimaatgrafiek is van:
A
Nederland
B
Duitsland
C
Suriname
D
Moskou

Slide 39 - Quiz

Deze klimaatgrafiek is een voorbeeld van een...
A
Dw
B
Cw
C
Cf
D
Cs

Slide 40 - Quiz

Deze klimaatgrafiek is van...
A
Noordelijk halfrond
B
Zuidelijk halfrond
C
Evenaar
D
Polen

Slide 41 - Quiz

1. Bekijk de landschapszones op de wereldkaart bij deze vraag. In Afrika liggen de verschillende landschapszones over het algemeen parallel aan de evenaar. In Noord- en Zuid-Amerika is dit patroon minder herkenbaar. Welke klimaatfactor veroorzaakt dit afwijkende patroon in Noord- en Zuid Amerika?
A
Breedteligging
B
Gebergte- en hoogteligging
C
Type oppervlak
D
Oceanische circulatie

Slide 42 - Quiz

Je hebt de namen van zes landschapszones en bijbehorende plantengroei geleerd.
Welke combinatie van landschapszone en plantengroei is juist?

A
Naaldbossen = Boreale zone
B
Savanne en regenwouden = Aride zone
C
Loofbossen = Subtropische zone
D
Grassen en struiken = Tropische zone

Slide 43 - Quiz

Door klimaatverandering verschuiven de landschapszones. Nederland zal meer invloeden krijgen van de ...
A
Tropische zone
B
Subtropische zone
C
Aride zone
D
Gematigde zone

Slide 44 - Quiz

Welke landschapszones zijn dus vooral kwetsbaar voor landdegradatie?
A
subtropische zone
B
tropische zone
C
aride zone
D
gematigde zone

Slide 45 - Quiz

Door welke landschapszones kom je achtereenvolgens als je van de Noordpool naar Zuid-Europa reist?
1. taiga
2. loofbossen
3. landijs, drijfijs, pakijs
4. toendra
A
3 - 4 - 1 - 2
B
4 - 3 - 1 - 2
C
3 - 4 - 2 - 1
D
4 - 3 - 2 - 1

Slide 46 - Quiz

Welke twee landschapszones kennen C-klimaten?
A
subtropische en gematigde zone
B
tropische en aride zone
C
boreale en polaire zone
D
subtropische en boreale zone

Slide 47 - Quiz

Wat is verzilting?
A
Het wegspoelen van de bodem door water.
B
Het kunstmatig water geven van gewassen.
C
Ander woord voor infiltratie.
D
Het zouter worden van de bodem.

Slide 48 - Quiz

Verzilting ontstaat meestal door
A
een toename van de hoeveelheid neerslag
B
een verkeerde manier van irrigeren
C
een afname van de hoeveelheid neerslag
D
het smelten van gletsjers

Slide 49 - Quiz

Ontbossing kan verwoestijning tot gevolg hebben.
A
goed
B
fout

Slide 50 - Quiz