Les 6: Zuivere stoffen en mengsels (M3B)

H1 Stoffen en mengsels
1 / 31
next
Slide 1: Slide
ScheikundeMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

H1 Stoffen en mengsels

Slide 1 - Slide

  1. Welke drie fasen ken je?
  2. Schrijf drie faseovergangen op.
  3. Wat gebeurt er met de deeltjes als een vaste stof vloeibaar wordt?
1.2 Fasen en faseovergangen
Schrijf je antwoorden op een blaadje.

Slide 2 - Slide

DEZE LES

  • bespreken 1.2 opdr 8 t/m 13 (blz 24 t/m 26)
  • terugblik 1.2 Fasen en faseovergangen
1.2 Fasen en faseovergangen

Slide 3 - Slide

  • Ik kan de belangrijkste kenmerken van het deeltjesmodel noemen.
  • Ik kan de toestandsaanduidingen (fasen) en hun betekenis beschrijven.
  • Ik kan de zes faseovergangen benoemen.
  • Ik kan uitleggen welke invloed een verandering van temperatuur heeft op de snelheid en onderlinge aantrekkingskracht van moleculen.
  • Ik kan de werking van de brander uitleggen.
  • Ik kan uitleggen waar welke vlam voor gebruikt wordt.
1.2 Fasen en faseovergangen

Slide 4 - Slide

1.2 Fasen en faseovergangen

Slide 5 - Slide

1.2 Fasen en faseovergangen

Slide 6 - Slide

1.2 Fasen en faseovergangen

Slide 7 - Slide

1.2 Fasen en faseovergangen

Slide 8 - Slide

1.2 Fasen en faseovergangen

Slide 9 - Slide

1.2 Fasen en faseovergangen
START TERUGBLIK

Slide 10 - Slide


Hoe heet deze faseovergang?
A
smelten
B
stollen
C
verdampen
D
condenseren

Slide 11 - Quiz


Rijpen is de faseovergang van:
A
vloeibaar naar gasvormig
B
gasvormig naar vloeibaar
C
gasvormig naar vast
D
vloeibaar naar vast

Slide 12 - Quiz

Sleep de juiste fase naar het bijbehorende deeltjesmodel.
vast
vloeibaar
gas

Slide 13 - Drag question


Hoe heet deze faseovergang?
A
smelten
B
stollen
C
verdampen
D
condenseren

Slide 14 - Quiz


Een kenmerk van het deeltjesmodel is: Elke stof is opgebouwd uit kleine deeltjes.
Noem nog een kenmerk van het deeltjesmodel.

Slide 15 - Open question


Vervluchtigen is de faseovergang van:
A
vast naar gasvormig
B
gasvormig naar vloeibaar
C
vloeibaar naar gasvormig
D
vloeibaar naar vast

Slide 16 - Quiz

Sleep de juiste beschrijving naar het bijbehorende deeltjesmodel.
Je kunt de moleculen gemakkelijk samenpersen.
De moleculen trekken elkaar stevig aan.
De moleculen bewegen kriskras door elkaar heen.

Slide 17 - Drag question


Hoe heet deze faseovergang?
A
smelten
B
stollen
C
verdampen
D
condenseren

Slide 18 - Quiz


De 'pauzevlam' gebruik je ...
A
om iets sterk te verhitten
B
om iets rustig te verwarmen
C
tussen twee proefjes de brander even niet gebruikt
D
als de bel voor de pauze gaat

Slide 19 - Quiz


De 'ruisende' vlam gebruik je om ...
A
iets sterk te verhitten
B
iets rustig te verwarmen
C
aan te geven dat de brander het doet
D
te laten zien dat de brander aan staat

Slide 20 - Quiz


Wat is de juiste volgorde om de brander uit te zetten?
A
gasschroef dicht luchtring dicht hoofdkraan dicht
B
luchtring dicht gasschroef dicht hoofdkraan dicht
C
luchtring dicht hoofdkraan dicht gasschroef dicht
D
hoofdkraan dicht luchtring dicht gasschroef dicht

Slide 21 - Quiz


Wat moet je altijd controleren voor je de hoofdkraan met gastoevoer open zet?

Slide 22 - Open question


De 'kleurloze' vlam gebruik je om ...
A
Iets sterk te verhitten
B
Iets rustig te verwarmen
C
Aan te geven dat de brander het doet
D
Te laten zien dat de brander aan staat

Slide 23 - Quiz

1.2 Fasen en faseovergangen
EINDE TERUGBLIK


Slide 24 - Slide

Een natte handdoek hangt buiten. Na een paar uur is hij droog.
Een leerling zegt: “Het water is verdwenen.”

Leg uit waarom dit niet klopt. 
  • Gebruik de woorden verdampen, gas en deeltjes.
1.2 Fasen en faseovergangen

Slide 25 - Slide

Een natte handdoek hangt buiten. Na een paar uur is hij droog.
Een leerling zegt: “Het water is verdwenen.”

Leg uit waarom dit niet klopt. 
  • Gebruik de woorden verdampen, gas en deeltjes.
1.2 Fasen en faseovergangen
ANTWOORD

Het water is niet verdwenen. Het vloeibare water is verdampt en is nu een gas. De waterdeeltjes zitten nu in de lucht en bewegen vrij door elkaar.

Slide 26 - Slide

  AAN DE SLAG en HUISWERK

  • leren 1.1 Stofeigenschappen (blz 8 t/m 12, 68 )
  • leren 1.2 Fasen en faseovergangen (blz 19 t/m 21, 68/69)
1.3 Zuivere stoffen en mengsels

Slide 27 - Slide

1.3 Zuivere stoffen en mengsels
Zuivere stoffen
In de scheikunde spreek je van een zuivere stof als hij maar uit een soort molecuul bestaat.

Slide 28 - Slide

Zuivere stoffen
In de scheikunde spreek je van een zuivere stof als hij maar uit een soort molecuul bestaat.
Voorbeelden van zuivere stoffen:
  • Thuis: soda, suiker, zout, goud.
  • Laboratorium: gedestilleerd water, alcohol en aceton.
1.3 Zuivere stoffen en mengsels

Slide 29 - Slide

Mengsels
In de scheikunde spreek je van een mengsel als deze uit meerdere moleculen bestaat.
  • Als je suiker door water mengt, lost de suiker op.
  • De suiker lijkt verdwenen, maar is dat niet, ze zijn gemengd.
  • De suikermoleculen en watermoleculen kun je niet zien omdat ze erg klein zijn.

+
1.3 Zuivere stoffen en mengsels

Slide 30 - Slide

Zuivere stof of mengsel?
Het is vaak moeilijk te zien of een stof een zuivere stof of een mengsel is. Toch kun je dat makkelijk onderzoeken door een stof van fase te laten veranderen. 
  • Tijdens dat proces meet je de temperatuur.

zuiver
mensgel
1.3 Zuivere stoffen en mengsels

Slide 31 - Slide