Verdwijnt in de gasfase (molecuulrooster wordt verbroken) of als een molecuul wordt opgelost.
Slide 10 - Slide
Waterstofbruggen
OH- en NH- groepen zijn bijzonder.
Extra bindingen maken = waterstofbrug (H-brug)
Veroorzaakt door polaire atoombinding
Die wordt weer veroorzaakt doorelektronegativiteit
H-brug is sterker dan VanderWaalsbinding, maar minder sterk dan covalente binding
Slide 11 - Slide
Slide 12 - Slide
Polaire atoombinding
Elektronegativiteit: Binas 40A
Geeft aan hoe hard een kern aan elektronen trekt
Verschil betekent kleine lading op atoom
Elektronegativiteit van H=2,1 en Cl=3,2
Cl trekt iets harder aan elektronen
Gedeeld elektronenpaar zit dichter bij Cl dan H
Cl klein beetje negatief
H dus een klein beetje positief
δ+
δ−
Water heeft ook een dipoolmoment: <br>EN H = <div>EN O = </div><div>Dit betekent dat zuurstof harder aan de elektronen in het gedeelde elektronenpaar trekt dan water. </div>
Slide 13 - Slide
Slide 14 - Slide
Welke structuren kunnen waterstofbruggen aangaan?
A
B
C
D
Slide 15 - Quiz
Welke bindingen worden verbroken bij het koken van water?
A
vanderwaalsbindingen
B
vanderwaalsbindingen en waterstofbruggen
C
vanderwaals- en
covalente bindingen
D
waterstofbruggen
Slide 16 - Quiz
Kan Cocaïne waterstofbruggen vormen?
A
Ja, want het molecuul is polair
B
Ja, want het molecuul is apolair
C
Nee, want het molecuul is polair
D
Nee, want het molecuul is apolair
Slide 17 - Quiz
Hydratie
Slide 18 - Slide
Oplosbaarheid zouten/moleculen
Op microniveau is dat verschil er wel.
Bij een zout als natriumchloride vindt er tijdens het oplossen in water hydratie plaats.
Bij een moleculaire stof als glucose ontstaan er waterstofbruggen met water.
sacharose = C12H22O11
hydratie
Een zout heeft in de vaste fase een ionrooster.
Slide 19 - Slide
Hydrofiel en hydrofoob
Hydro = water
fiel = lievend
foob = angst
Stoffen die goed mengen/oplossen in water = hydrofiel / polair
Stoffen die slecht mengen/oplossen in water = hydrofoob / polair
Conclusie: water mengt met ammoniak, want een polaire stof mengt met een polaire stof.
Dit kan je ook aangeven in een tekening waarbij je de waterstofbruggen tekent (geef ook de polaire atoombindingen aan).
Slide 23 - Slide
Emulgator
Slide 24 - Slide
Teken 2 moleculen ammoniak en 2 moleculen water en minimaal 3 waterstofbruggen tussen de moleculen.
Slide 25 - Open question
Zet de moleculen op volgorde van oplopend kookpunt. Zoek de kookpunten niet op, maar verklaar aan de hand van de structuurformule en betrokken bindingstypen.
CH4 (methaan), C2H6 (ethaan), CH3OH (methanol)
A
methaan, ethaan, methanol
B
ethaan, methaan, methanol
C
methanol, ethaan, methaan
D
methanol, methaan, ethaan
Slide 26 - Quiz
Uitleg quizvraag
Methanol kan als enige een H-brug vormen, vanwege de OH-groep.
Ethaan heeft een hogere massa dan methaan, dus de vanderwaalsbinding in ethaan is sterker dan in methaan.
De H-brug is sterker dan de vanderwaalsbinding, dus methanol heeft het hoogste kookpunt.
Volgorde van laag naar hoog kookpunt: methaan, ethaan, methanol.
Slide 27 - Slide
geen waterstofbrug<br>
wel waterstofbruggen<br>
NH3
C3H8
C2H5OH
CH3NH2
N2
O2
CH2Cl2
NO2
H2O2
CaCO3
NaCl
Slide 28 - Drag question
Zouten in water
Binding tussen Na+ en Cl- heet een ionbinding
Bij oplossen van een zout in water worden de ionbindingen verbroken
Slide 29 - Slide
Zouten in je lichaam
Je lichaam bestaat voor meer dan 60% uit water met daarin zouten opgelost. De nieren regelen dit allemaal om ervoor de zorgen dat de concentratie op het juiste niveau blijft.
Tijdens het hevig sporten kan je het beste een ORS-oplossing nemen i.p.v. een sportdrank.
Slide 30 - Slide
Molariteit vs [ion]
Definities
Molariteit: hoeveelheid van een stof per volume-eenheid in mol/l
[ion]: de concentratie van een ion in een oplossing in mol/l
We lossen 0,4 mol calciumchloride op in 1 liter water
Reactievergelijking:
CaCl2 (s)
Ca2+ (aq)
+
2 Cl-(aq)
Verhoudingen
1
1
2
Molariteit
0,4 M
Concentratie ionen
0,4mol/l
0,8 mol/l
Slide 31 - Slide
Concentratie
Slide 32 - Slide
Verdunnen
Verdunnen: toevoegen van water waardoor de [ion] afneemt.
Hoeveelheid deeltjes per volume eenheid wordt minder
Slide 33 - Slide
Molariteit
Notatie Molariteit: je noteer molariteit als rechte haken om de formule van de opgeloste stof.
Voorbeelden:
[C6H12O6] = molariteit van opgeloste glucose
[Na+] = molariteit van de opgeloste natrium-ionen
[CO32-] = molariteit van de opgeloste carbonaationen
Slide 34 - Slide
oplosvergelijking: Al2(SO4)3 (s) -> 2 Al 3+ (aq) + 3 SO4 2- (aq)
molverhouding: 1 : 2 : 3
dus: 1,0 mol 2,0 mol 3,0 mol
[Al3+ ] = n : V
[Al3+ ] = 2,0 : 2,0 L = 1,0 M
Slide 35 - Slide
Molariteit
We lossen 6,0 gram calciumchloride op in water.
Er ontstaat een oplossing met een volume van 500 mL.
a. Bereken het aantal mol opgeloste calciumchloride.
b. Bereken de molariteit van de ionconcentraties.
(dus de molariteit van de calciumionen en de chloride-ionen)
Slide 36 - Slide
Opdracht
Sanne lost 21 g kaliumfosfaat op in 275 mL water. Bereken [K+].
Tip: begin met de oplosvergelijking.
timer
10:00
Slide 37 - Slide
Molaire massa K3PO4 : 212.27 g/mol
Slide 38 - Slide
Zeep
De hydrofobe staarten gaan aan de stof hechten , de hydrofiele koppen gaan aan de waterkant liggen.
Hierdoor komt de olie los van de stof en kan het met water worden weggespoeld. De olie emulgeert dus met water door de zeep.
Emulsie is een mengsel van water en olie, een emulgator zorgt er voor dat dit mengsel van ontstaan. Zeep is hier de emulgator.
Slide 39 - Slide
Werking van zeep
Een zeepmolecuul ziet er ongeveer zo uit. Een kop die van water houdt (hydrofiel) en een staart die niet van water houdt (hydrofoob).
Slide 40 - Slide
Schoonmaakmiddelen
Zeep = emulgator
natrium-stearaat (NaC17H35COO)
Slide 41 - Slide
Vul het verhaaltje in!
Hexaan kan ( ) goed mengen met water, doordat hexaan geen ( ) kan vormen.
Water kan dit ( ) , hierdoor is water een ( ) stof.