TC B1 thema 2.5 +herhaling

                        2.5 De mantelzorger
1 / 38
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 38 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

                        2.5 De mantelzorger

Slide 1 - Slide

Programma 13 februari
Herhaling: 'laten'

De voltooide tijd met het werkwoord 'zijn'

Het juiste voorzetsel

Spreekoefeningen uit het boek.



Slide 2 - Slide

Herhaling 2.1
'Laten' als iemand anders iets doet bij of voor het onderwerp van de zin. (causatief)
  • Daan laat zijn hart door de dokter onderzoeken.

Je kunt het werkwoord 'laten' ook als aansporing gebruiken. (aanvoegende wijs)
  • Laten we naar de stad gaan! 
 



Slide 3 - Slide

(2.1) Bedenk drie zinnen met het werkwoord 'laten'

Slide 4 - Open question

Maak een zin met 'laten'
  • causatief
  • aanvoegende wijs

Slide 5 - Slide

Maak zinnen

Slide 6 - Slide

(2.3) Wat is dit voorwerp?
Wat kun je ermee doen?

Slide 7 - Open question

Wat is het?
Waarvoor gebruik je het?

Slide 8 - Open question

Wat is dit voorwerp?
Waarvoor gebruik je het?

Slide 9 - Open question

Wat is dit voorwerp?
Waarvoor gebruik je het?

Slide 10 - Open question

Wat is dit voorwerp?
Waarvoor gebruik je het?

Slide 11 - Open question

Wat is dit voorwerp?
Waarvoor gebruik je het?

Slide 12 - Open question

De voltooide tijd (pagina 69)
          Bij werkwoorden van veranderingen gebruik je: zijn


Ik heb de hele dag gelopen.

We hebben gereden.
Ik ben naar school gelopen.

We zijn naar school gereden.

Slide 13 - Slide

Wat is goed?
A
Hij heeft naar school gekomen.
B
Hij is naar school gekomen.

Slide 14 - Quiz

Wat is goed?
A
Het heeft gelukt.
B
Het is gelukt.

Slide 15 - Quiz

Wat is goed?
A
Hij heeft medicijnen voorgeschreven.
B
Hij is medicijnen voorgeschreven.

Slide 16 - Quiz

Wat is goed?
A
Hij heeft gewassen.
B
Hij is gewassen.

Slide 17 - Quiz

Wat is goed?
A
Hij heeft gezakt.
B
Hij is gezakt.

Slide 18 - Quiz

Wat is goed?
A
Hij heeft vader geworden.
B
Hij is vader geworden.

Slide 19 - Quiz

Wat is goed?
A
Hij heeft geslaagd.
B
Hij is geslaagd.

Slide 20 - Quiz

Wat is goed?
A
Hij heeft vroeg opgestaan.
B
Hij is vroeg opgestaan.

Slide 21 - Quiz

Wat is goed?
A
Hij heeft iemand genezen.
B
Hij is genezen.

Slide 22 - Quiz

Maak een zin in de voltooide tijd

Slide 23 - Slide

 (pagina 75) Maak een zin:

Slide 24 - Slide

Wat is het vaste voorzetsel?

Houden .....
A
in
B
met
C
van
D
naast

Slide 25 - Quiz

Wat is het juiste voorzetsel?

Rekening houden....

A
met
B
naar
C
voor
D
op

Slide 26 - Quiz

Wat is het juiste voorzetsel?

Beginnen......
A
op
B
met
C
in
D
voor

Slide 27 - Quiz

Wat is het juiste voorzetsel?

Wennen...
A
voor
B
in
C
met
D
aan

Slide 28 - Quiz

Wat is het juiste voorzetsel?

Praten....
A
met
B
van
C
op
D
over

Slide 29 - Quiz

Wat is het juiste voorzetsel?

Genieten ....
A
op
B
van
C
over
D
in

Slide 30 - Quiz

Wat is het juiste voorzetsel?

Feliciteren .......
A
aan
B
in
C
met
D
op

Slide 31 - Quiz

Wat is het juiste voorzetsel?

Zich inschrijven....
A
voor
B
in
C
van
D
op

Slide 32 - Quiz

Wat is het juiste voorzetsel?

Last hebben .......
A
op
B
van
C
aan
D
voor

Slide 33 - Quiz

Wat is het juiste voorzetsel?

Luisteren .....
A
in
B
van
C
met
D
naar

Slide 34 - Quiz

Wat is het juiste voorzetsel?

Zich schamen......
A
in
B
van
C
aan
D
voor

Slide 35 - Quiz

Wat is het juiste voorzetsel?

Wachten......
A
met
B
aan
C
op
D
voor

Slide 36 - Quiz

Wat is het juiste voorzetsel?

Lijken.....
A
met
B
voor
C
aan
D
op

Slide 37 - Quiz

Begrijp je de les?
😒🙁😐🙂😃

Slide 38 - Poll