Vragers en aanbieders H3

Vragers en aanbieders-H3, deel 1
1 / 33
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Vragers en aanbieders-H3, deel 1

Slide 1 - Slide

Leerdoelen
Je kunt: 
- De samenhang kunnen analyseren tussen prijs en vraag en aanbod. 
- Werken met lineaire individuele en collectieve vraag- en aanbodfunctie en deze interpreteren & tekenen. 
- De producenten- en consumentensurplus bepalen + kunnen uitleggen wat het is. 
- kenmerken van de markt van volledige mededinging uitleggen + hoe de prijs daar tot stand komt. 
Zie je boek voor de uitgebreide lijst. Je zou deze als leerstrategie kunnen uitschrijven + opdrachten bij zoeken. 

Slide 2 - Slide

Wat is een (economische) markt?
Markten:
  • Concrete markt
  • Abstracte markt
Een plaats waar op afgesproken tijden in goederen wordt gehandeld.
Het geheel van vraag naar en aanbod van een product.

Slide 3 - Slide

Producenten
Producenten zorgen voor het aanbod van producten.

Slide 4 - Slide

Consumenten
Consumenten zorgen voor de vraag naar producten.

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Individuele vraagfunctie 
Qv = de gevraagde hoeveelheid van product x
p = prijs van product x
a= de mate waarin de vraag reageert op veranderingen in de prijs
b = het gedeelte van de vraag dat niet afhankelijk is van de prijs
qv=ap+b
Dit is eigenlijk een lineaire functie. 
y=-ax + b 
Je kent dit dus al van wiskunde!
Waarom een - voor die ap? Hoe hoger de prijs, hoe minder consumenten het willen.

Slide 8 - Slide

Qv = -20P + 324. Bereken de gevraagde hoeveelheid bij p = 5? Laat je berekening zien.

Slide 9 - Open question

Slide 10 - Slide

Wat gebeurt er nu als de prijs stijgt.
Als de prijs stijgt dan zal de vraag?
A
Dalen
B
Stijgen
C
Gelijk blijven

Slide 11 - Quiz

Verschuiving langs en van de vraaglijn
  • Verschuiving langs de vraaglijn: prijs (p)

  • Verschuiving van de vraaglijn (zie figuur rechts):
  1. stand van de economie
  2. inkomen (van de consumenten)
  3. bevolkingsomvang (aantal consumenten)
  4. behoefte (voorkeur van de consumenten)
  5. prijzen van substitutie (vervangende) goederen
  6. prijzen van complementaire (aanvullende) goederen
  7. wettelijke bepalingen (zoals subsidies)
  8. incidentele factoren (zoals terrorisme, epidemie of ramp)
!
Begrip subsitutie en complentaire goederen zelf doornemen

Slide 12 - Slide

Bij een toename van de vraag ontstaat er een verschuiving van de prijsvraaglijn. Welke kant op?
A
naar links
B
naar rechts
C
de lijn verdwijnt
D
consumentensurplus

Slide 13 - Quiz

Consumentensurplus
Stel je de vraaglijn rechts voor en de prijs van het
product is € 12,50. Voor iemand die bereid was om
voor dit product € 20 te betalen, is een prijs van
€ 12,50 een mooie meevaller.

Wanneer we al deze individuele 
meevallers bij elkaar optellen, vinden we het
consumentensurplus. Hoe groter het surplus, hoe
efficiënter de uitkomst (= welvaart).

formule: hoogte (p-as) x breedte (q as) x 1/2

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

Verschuiving langs en van de aanbodlijn
  • Verschuiving langs de aanbodlijn: prijs (p)
  • Verschuiving van de aanbodlijn (zie figuur rechts):
  1. aantal aanbieders
  2. kosten
  3. wettelijke bepalingen (zoals heffingen)
  4. innovatie

Slide 16 - Slide

Individuele aanbodfunctie 
Qa = de aangeboden hoeveelheid van product x
p = prijs van product x
a= de mate waarin het aanbod reageert op veranderingen in de prijs
b = het gedeelte van het aanbod dat niet afhankelijk is van de prijs
qa=apb
Dit is eigenlijk een lineaire functie. 
y=ax + b 
Je kent dit dus al van wiskunde!

Slide 17 - Slide

De aanbodfunctie van een product is
Qa = 3P - 45. De overheid voert een indirecte belasting in van €5 per product. Wat wordt de nieuwe aanbodfunctie?
A
Qa = 3P - 50
B
Qa = 3P - 30
C
Qa = 3P - 60
D
Qa = 3P + 30

Slide 18 - Quiz

Welke aanbodlijn hoort bij aanbodfunctie?
Qa = 150P - 250
A
B
C
D

Slide 19 - Quiz

Slide 20 - Slide

Producentensurplus
Stel je de aanbodlijn Qa rechts voor en de marktprijs
van het product is € 25. Voor een producent die 
bereid was om dit product ook voor € 15 aan te
bieden, is de prijs van € 25 een mooie meevaller.

De producent ontvangt meer dan de prijs waarvoor
hij bereid was het product aan te bieden. Wanneer
we al deze individuele meevallers bij elkaar optellen, 
vinden we het producentensurplus (groene deel).
Hoe groter het surplus, hoe efficiënter de uitkomst
(= welvaart).

Slide 21 - Slide

Stappen: tekenen Qv en Qa
1: Bereken van allebei het snijpunt met de Y-as (x,0) 
bijv. Qa=2p-20 : Wanneer is het Qa=0? -20/-2p=10. Dus bij P=10 is Qa=0. 
2. Bekijk met welke stappen de lijn omhoog of omlaag gaat. 
Qa=2p-20 Dus met elke stap gaat hij 2 omhoog. 
3. Zoek een goede verdeling voor de x-as en y-as waar je de gegevens kan verwerken. 
Bij qa=2p-20 is dat in 5tallen zowel op de x-as als y-as. 
4. Vul 2 getallen in de formule om de lijn te kunnen tekenen. 
qa=2p-20, p=15: qa=2x15-20=10 en p=20: qa=2x20-20=20 
Dus twee punten in je grafiek zetten bij 10 en 20 en dan met een liniaal een rechte lijn van maken. Het is immers een lineair verband. 

Slide 22 - Slide

Wat gebeurt er nu als de prijs stijgt.
Als de prijs stijgt dan zal het aanbod?
A
Dalen
B
Stijgen
C
Gelijk blijven

Slide 23 - Quiz

Slide 24 - Slide

Volkomen concurrentie, volledige mededinging

Slide 25 - Slide

volledige mededinging
prijs door markt bepaald



Slide 26 - Slide

Wat is geen kenmerk van de markt van een volledige mededinging?
A
veel aanbieders
B
Heterogene goederen
C
Transparante markt
D
makkelijke toetreding

Slide 27 - Quiz

Op de markt met volledige mededinging is er .... concurrentie
A
Veel
B
Weinig

Slide 28 - Quiz

Afsluiting
Leerdoelen: 
- De samenhang kunnen analyseren tussen prijs en vraag en aanbod. 
- Werken met lineaire individuele en collectieve vraag- en aanbodfunctie en deze interpreteren & tekenen. 
- De producenten- en consumentensurplus bepalen + kunnen uitleggen wat het is. 
- kenmerken van de markt van volledige mededinging uitleggen + hoe de prijs daar tot stand komt. 



Slide 29 - Slide

Vraag
Prijs (€)                 Vraag (x1000)
25                                1
22,50                          2
20                               3

Aanbod
Prijs (€)         Aanbod (x1000)
25                   3
22,50             2
20                   1

Slide 30 - Slide

Slide 31 - Slide

Slide 32 - Video

Slide 33 - Video