geluid

Hoe werkt geluid?

1 / 11
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNatuurkundeMBOStudiejaar 2

This lesson contains 11 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 10 min

Items in this lesson

Hoe werkt geluid?

Maar eerst....

wat weten jullie al over geluid?

Maar eerst wat weten jullie al over geluid?......

Wat bepaald hoe hoog of laag een geluid klinkt?

A

hoe hard er iets afspeelt

B

hoe ver het geluid reist

C

hoe snel iets trilt

D

hoeveel lucht erin de ruimte is

Waardoor hoor je geluid?

A

omdat je ogen het kunnen zien

B

omdat geluid uit het niets ontstaat

C

omdat lucht in beweging komt en trilt

D

omdat je mond geluid maakt ook zonder lucht

Een stukje informatie..

Geluid:

--> zijn trillingen als iets trilt zoals je stem of gitaar maakt het geluid

--> de trillingen worden opgevangen in je oren en zo hoor je het


hoe sneller --> hoe hoger

harde geluiden hebben hoge trillingen

zachte geluiden hebben kleine trillingen


Proefje 1 Glazen piano


Proefje 1 Glazen piano uitleg

  • Geluid bestaat uit trillingen. door tegen het glas te tikken, laat je het water trillen. Dit hoor je als een toon. het water in het glas zorgt ervoor dat het glas moeilijker trilt.


  • Hoe meer water = hoe langzamer het glas trilt

  • Hoe minder water = hoe sneller het glas trilt


  • Langzame trillingen klinken lager dan snelle trillingen.


Proefje 2 Ballon en mandarijn


Proefje 2 ballon en mandarijn uitleg


  • De ballon is gemaakt van rubber. Als je de ballon opblaast en dichtknoopt dan kan de lucht er niet meer uit. het rubber is hierdoor gespannen en zit om de samengeperste lucht heen.


  • In de schil van de mandarijn zitten stoffen die rubber kunnen beschadigen. Bij een opgeblazen ballon is het rubber uitgerekt en dun en kan dus makkelijk stuk gaan.


  • bij het stukgaan hoor je een knal. deze knal wordt veroorzaakt doordat de samengeperste lucht opeens vrijkomt. de lucht uit de ballon botst met de lucht eromheen en veroorzaakt een drukgolf. dit is de knal die je dus hoort.


proefje 3


proefje 4