BLB Lowan thema 1 De school werkwoorden dag 1

Thema 1 de school 
1 / 38
next
Slide 1: Slide
NT2Speciaal OnderwijsLeerroute 1

This lesson contains 38 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Thema 1 de school 

Slide 1 - Slide

Werkwoorden dag 1
bij thema de school

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Regels
Werkwoorden
Onderwerp (wie)
Vorm
Ik
stam
Jij / hij / zij
stam + t
Wij / jullie / zij
hele werkwoord

Slide 4 - Slide

pakken

Slide 5 - Slide


Het hele werkwoord is pakken
Werkwoorden
Onderwerp (wie)
Vorm
Spelling
Ik
stam
pak
Jij / hij / zij
stam + t
pakt
Wij / jullie / zij
hele werkwoord
pakken

Slide 6 - Slide

ik pak

jij pakt 

hij pakt

zij pakt

Slide 7 - Slide

zitten

Slide 8 - Slide


Het hele werkwoord is zitten
Werkwoorden
Onderwerp (wie)
Vorm
Spelling
Ik
stam
zit
Jij / hij / zij
stam + t
zit (let op: één t)
Wij / jullie / zij
hele werkwoord
zitten

Slide 9 - Slide

ik zit

jij zit 

hij zit

zij zit

Slide 10 - Slide

wijzen naar

Slide 11 - Slide


Het hele werkwoord is wijzen
Werkwoorden
Onderwerp (wie)
Vorm
Spelling
Ik
stam
wijs
Jij / hij / zij
stam + t
wijst
Wij / jullie / zij
hele werkwoord
wijzen
Bij jij, hij, zij wordt de 'z' een 's'

Slide 12 - Slide

ik wijs naar

jij wijst naar

hij wijst naar

zij wijst naar

Slide 13 - Slide

schrijven

Slide 14 - Slide


Het hele werkwoord is schrijven
Werkwoorden
Onderwerp (wie)
Vorm
Spelling
Ik
stam
schrijf
Jij / hij / zij
stam + t
schrijft
Wij / jullie / zij
hele werkwoord
schrijven
Bij jij, hij, zij wordt de 'v' een 'f' 

Slide 15 - Slide

ik schrijf

jij schrijft

hij schrijft

zij schrijft

Slide 16 - Slide

leren

Slide 17 - Slide


Het hele werkwoord is leren
Werkwoorden
Onderwerp (wie)
Vorm
Spelling
Ik
stam
leer
Jij / hij / zij
stam + t
leert
Wij / jullie / zij
hele werkwoord
leren
Bij jij, hij, zij wordt  de 'e' een 'ee'

Slide 18 - Slide

ik leer

jij leert

hij leert

zij leert

Slide 19 - Slide

lezen

Slide 20 - Slide


Het hele werkwoord is lezen
Werkwoorden
Onderwerp (wie)
Vorm
Spelling
Ik
stam
lees
Jij / hij / zij
stam + t
leest
Wij / jullie / zij
hele werkwoord
lezen
Bij jij, hij, zij wordt de 'z' een 's' en wordt de 'e' een 'ee'

Slide 21 - Slide

ik lees

jij leest

hij leest

zij leest

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Slide

leren

ik ...........
A
leert
B
leer
C
leren

Slide 24 - Quiz


A
leren
B
pakken
C
wijzen
D
schrijven

Slide 25 - Quiz

wijzen naar

hij ..........
A
wijst naar
B
wijs naar
C
wijzen naar

Slide 26 - Quiz


A
leren
B
wijzen naar
C
schrijven
D
lezen

Slide 27 - Quiz

tekenen

Slide 28 - Slide

tekenen

ik teken

jij ?

hij tekent

Slide 29 - Slide

tekenen

ik teken

jij tekent

hij tekent

Slide 30 - Slide

staan

Slide 31 - Slide

staan

ik sta

jij staat

zij ?

Slide 32 - Slide

staan

ik sta

jij staat

zij staat

Slide 33 - Slide

zitten

Slide 34 - Slide

zitten (ik)

Slide 35 - Open question

kijken naar

Slide 36 - Slide

kijken naar (hij)

Slide 37 - Open question

Ik
hij
schrijf
staat
lees
sta
tekent
kijkt naar
teken

Slide 38 - Drag question