Herhalen H1 3Havo

Wat gaan we doen
  • Bespreken 55+56 
  • Herhalen H1 
  • Voorbereiden PW H1
1 / 34
next
Slide 1: Slide
NatuurkundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 34 slides, with text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

Wat gaan we doen
  • Bespreken 55+56 
  • Herhalen H1 
  • Voorbereiden PW H1

Slide 1 - Slide

opdracht 55 
55a  30 minuten op 10m afstand 
55b 2 uur = 86 dB van 92 naar 86 is -6dB dus 1x afstand verdubbelen = 20m
55c 92 -12= 80 dB dan is het 8 uur 

Slide 2 - Slide

opdracht 56

Slide 3 - Slide

doelen §1.1
  • Weten wat een geluidsbron is
  • Weten wat trillingen zijn 
  • Weten wat een medium is en voorbeelden kunnen geven
  • weten wat de ontvanger is
  • rekenen met de geluidssnelheid
  • Formule v=s/t kennen 

Slide 4 - Slide

§1.1
geluidsbron = iets wat geluid maakt 

Geluid ontstaat doordat er iets snel heen en weer beweegt in de geluidsbron (stembanden, snaren) 

1 trilling = ruststand, volledig links, ruststand, 
volledig rechts en terug naar de ruststand 

Slide 5 - Slide

Geluid van bron naar ontvanger
Bron: maakt het geluid (de trilling)

Medium: tussenstof die nodig is om de geluidstrillingen te laten verplaatsen. 

Ontvanger: hoort het geluid doordat het trommelvlies in het oor ook gaat trillen. 


Slide 6 - Slide

Wat is geluid?
  • Geluid ontstaat door trillingen

  • Alles wat geluid maakt is een geluidsbron 

  • Elke geluidsbron heeft een onderdeel dat trilt

Slide 7 - Slide

§1.1
.
.
.
.
.
.
Formules staan op je toets erbij 
v=​t​​s​​
grootheid
symbool
eenheid
symbool
snelheid
v
meter per seconde
m/s
tijd
t
seconde
s
afstand
s
meter
m 

Slide 8 - Slide

Rekenen met de 5 stappen
1. gegevens
2. gevraagd
3. formule
4. berekening
5. antwoord
1. 
2.  s= ? m
3.   
4. 
5. 1605,24 meter       1,6 km
v=​t​​s​​
v=343​s​​m​​
t=4,68s
s=v⋅t
s=343⋅4,68
≈

Slide 9 - Slide

doelen §1.2
  • weten wat een oscillogram is
  • weten wat de trillingstijd is
  • weten wat de frequentie is
  • weten wat toonhoogte is
  • weten wat de amplitude is
  • harde/zachte en lage/hoge tonen herkennen 

Slide 10 - Slide

De oscillogram
Met een oscillogram kun je geluid "zichtbaar" maken

Slide 11 - Slide

Aantal trilling per seconde bepaald de toon soort
Hoogte (amplitude) bepaald de hardheid van het geluid

Slide 12 - Slide

Geluidssterkte
  • Geluidssterkte geven we aan in decibel. (dB)
  • Hoe harder het geluid, hoe groter de amplitude.

Slide 13 - Slide

1
2
3
4
Harder/zachter/hoger/lager

Slide 14 - Slide

formule trillingstijd
T= tijd voor 1 trilling
f= aantal trillingen in 1 seconde 
T=​f​​1​​
grootheid
symbool
eenheid
afkorting
Trillingstijd
T
seconde
s
frequentie
f
hertz
Hz

Slide 15 - Slide

1
Voorbeeld trillingstijd en frequentie

Slide 16 - Slide

Doelen §1.3
  • weten wat de grondtoon is
  • weten wat de boventoon is
  • weten wat resonatie is
  • weten wat klankkleur is
  • Hoe werkt geluid in een blaasinstrument
  • wat is een octaaf   

Slide 17 - Slide

§1.3
grondtoon = de toon die je hoort van een bepaalde frequentie als je een snaar op een gitaar aanslaat 

Lengte, dikte en de spanning bepalen de toon 

Slide 18 - Slide

1
2
3
Toonhoogte verhogen/verlagen

Slide 19 - Slide

rekenen met grond en boventonen.
Je hebt een snaar die een grondtoon heeft van 110 Hz.
De eerste boventoon is dan 2x 110 Hz = 220 Hz
De tweede boventoon is dan 3x 110 Hz = 330 Hz.
Zo gaat het door. 

Slide 20 - Slide

Resonantie
Een trillend voorwerp kan een ander voorwerp in trilling brengen

Als dit andere voorwerp in het ritme van de oorspronkelijke trillingen gaat meetrillen, wordt dat verschijnsel resonantie genoemd. 

De snaren van een snaarinstrument laat de lucht in een klankkast meetrillen waardoor het geluid van de snaar wordt versterkt.

Slide 21 - Slide

klankleur
klankkleur = eigen geluid van een instrument

Afhankelijk van materiaal, vorm klankkast en 
grootte klankkast.  

Slide 22 - Slide

Blaasinstrument
Grondtoon ontstaat door de lucht die in het instrument resoneren. 

Lengte van instrument bepaalt klank grondtoon

Lengte variëren door de kleppen/gaten te dichten 
Alle kleppen/gaten dicht = laagste toon want langste 
buis

Slide 23 - Slide

Octaaf
12 tonen in muziek met vaste frequentie =toonladder

Frequentie van toon verdubbelen = toon met zelfde
naam die toon is octaaf hoger

A toon = 110 Hz, 220 Hz 440 Hz, 880 Hz enz 

Slide 24 - Slide

Doelen §1.4
  • weten hoe je de geluidssterkte in dB bepaald
  • geluid 2x zo hard dan + 3 dB
  • bepalen van de geluidssterkte op afstand

Slide 25 - Slide

Geluidssterkte (decibel - dB)

Slide 26 - Slide

Rekenen met decibel
De geluidssterkte neemt af, wanneer je verder van de bron af staat. 
Hier geldt eenzelfde regel voor. 
ga je 2x zo ver weg staan dan is het geluid 4x zo zacht.
een halvering is afname van 3dB. 
Bij iedere verdubbeling van de afstand neemt het 6dB af
4x zover weg is 6+6 = 12 dB zachter

Slide 27 - Slide

Oefen sommen 
d
d
van 2 naar vier is een verdubbeling dus geluid 3 dB harder
73+3=76 dB


1, 2, 4, 8, 16 = 4x een verdubbeling dus 4x 3dB harder = 92 dB

Slide 28 - Slide

Doelen §1.5
  • hoe hoor je
  • gehoorgrenzen kennen
  • weten hoe de gehoordrempel werkt 
  • weten hoe de pijngrens werkt
  • hoe voorkom je gehoorschade

Slide 29 - Slide

Het gehoor
  1. Geluidsgolf bereikt oor.
  2. Trommelvlies trilt mee.
  3. Gehoorbeentjes brengen vloeistof in slakkenhuis in beweging.
  4. In slakkenhuis trilhaartjes -> elektrisch signaal
  5. Gehoorzenuw naar hersenen. 

Slide 30 - Slide

Welke geluiden hoor je?
  • Onderste gehoorgrens: laagste toon die je kan horen als mens: 20 Hertz
  • Bovenste gehoorgrens: hoogste toon die je kan horen als mens: 20000 Hertz.
  • Gebied tussen de onderste en bovenste gehoorgrens heet: gehoorbereik

Slide 31 - Slide

§1.5
gehoordrempel= afhankelijk van de frequentie van een toon 

Slide 32 - Slide

§1.5
Gehoorschade = afhankelijk van de bloodstelling

Slide 33 - Slide

Goede opdrachten
§1.1= 4, 5, 7, 8
§1.2= 19, 20, 22, 24
§1.3= 29, 31, 32, 34
§1.4= 39, 41, 42ab, 45a, 
§1.5= 50, 51, 52, 55
toetsvoorbereiding= 1a,c,d, 2, 5, 7, 9
Zorg dat je daarnaast de begrippen goed kent

Slide 34 - Slide