Staande golven (Natuurkunde vwo), les 3: Terugblik quiz

Orgelpijpen van een kerkorgel, St Davids (foto: Kmtextor, CC BY-SA 4.0)

EXAMENSTOF · B1 · STAANDE GOLVEN

Quiz

Terugblik: Staande golven

1 / 15
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNatuurkundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min
Report this lesson

Introduction

Terugblik quiz met 12 vragen over staande golven, knopen en buiken, grondtoon en boventonen van snaren en buizen, voor vwo natuurkunde.

Items in this lesson

Orgelpijpen van een kerkorgel, St Davids (foto: Kmtextor, CC BY-SA 4.0)

EXAMENSTOF · B1 · STAANDE GOLVEN

Quiz

Terugblik: Staande golven

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Kmtextor / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Een snaar trilt in de grondtoon. Waar is de amplitude het grootst?

A

Bij de twee uiteinden

B

Op een kwart van de lengte

C

Overal even groot

D

In het midden van de snaar

Grondtoon: n = 1, knopen op de uiteinden en één buik precies in het midden (¼λ van elke knoop). Verwachte fouten: uiteinden (knoop en buik verwisseld), overal even groot (denken dat alle punten even hard trillen). Syllabus B1.4.

Een snaar van 1,20 m heeft een staande golf met 6 buiken. Bereken λ.

A

0,20 m

B

0,40 m

C

2,4 m

D

0,24 m

n = 6. λ = 2ℓ/n = 2 · 1,20/6 = 0,40 m. Verwachte fouten: 0,20 m (ℓ/6), 2,4 m (2ℓ), 0,24 m (ℓ/5). Controle: 6 · ½ · 0,40 = 1,20. Syllabus B1.4.

Vul in

Bij een snaar past een geheel aantal halve golflengtes, bij een gesloten buis een oneven aantal kwart golflengtes.

geheel
halve
oneven
even
hele

ℓ = n·½λ voor gelijke uiteinden, ℓ = (2n − 1)·¼λ voor ongelijke uiteinden. Verwachte fout: de twee types omwisselen. Syllabus B1.4.

Zet de rekenstappen op volgorde

1

Teken knopen en buiken

2

Lees n af uit de tekening

3

Bereken λ uit de lengte en n

4

Bereken f met f = v/λ

Eerst tekenen, dan n bepalen, dan λ uit de juiste formule, dan f uit v = f·λ. Syllabus B1.4.

Een snaar heeft, de uiteinden meegeteld, 5 knopen. Welke toon klinkt?

A

De 3e boventoon

B

De 4e boventoon

C

De 5e boventoon

D

De 2e boventoon

5 knopen betekent 4 buiken, dus n = 4. De 3e boventoon hoort bij n = 4. Verwachte fouten: 4e of 5e boventoon (aantal knopen of buiken als nummer), 2e boventoon (n = 3). Syllabus B1.4.

Een open buis van 0,40 m, v = 343 m/s. Bereken f van de grondtoon.

A

8,6·10² Hz

B

2,1·10² Hz

C

4,3·10² Hz

D

1,4·10² Hz

Open buis: f1 = v/(2ℓ) = 343/0,80 = 428,8 Hz, dus 4,3·10² Hz. Verwachte fouten: 8,6·10² (v/ℓ), 2,1·10² (gesloten buis, v/4ℓ), 1,4·10² (v·ℓ). Controle: 0,80 · 428,8 = 343. Syllabus B1.4.

Grondtoon 220 Hz. f van 2e boventoon?

Het antwoord in Hz. 2e boventoon is n = 3, dus f = 3 · 220 = 660 Hz. Verwachte fout: 440 Hz (n = 2) of 880 Hz. Syllabus B1.4.

Een gesloten buis heeft grondtoon 100 Hz. Welke frequentie kan er niet in klinken?

A

3,0·10² Hz

B

2,0·10² Hz

C

5,0·10² Hz

D

7,0·10² Hz

Een gesloten buis geeft alleen oneven veelvouden: 100, 300, 500, 700 Hz. 200 Hz hoort daar niet bij. Verwachte fout: een even veelvoud ook mogelijk achten, zoals bij een snaar. Syllabus B1.4.

Een open orgelpijp wordt warmer, waardoor v groter wordt. Wat gebeurt er met de grondtoon?

A

Lager, want v wordt groter

B

Hoger, want λ wordt kleiner

C

Gelijk, want de lengte blijft gelijk

D

Hoger, want v wordt groter

De buis blijft even lang, dus λ = 2ℓ blijft gelijk. Uit f = v/λ volgt dat f groter wordt als v groter wordt. Verwachte fout: denken dat alleen ℓ de toonhoogte bepaalt. Syllabus B1.4 en B1.3.

Een open buis is 0,60 m lang. Wat is λ bij de 1e boventoon?

A

1,2 m

B

0,30 m

C

2,4 m

D

0,60 m

Open buis, 1e boventoon: n = 2, ℓ = 2 · ½λ, dus λ = ℓ = 0,60 m. Verwachte fouten: 1,2 m (λ van de grondtoon), 0,30 m (λ = ℓ/2), 2,4 m (4ℓ, formule voor gesloten buis). Syllabus B1.4.

Twee punten liggen aan weerszijden van dezelfde knoop. Hoe trillen ze ten opzichte van elkaar?

A

In fase

B

In tegenfase

C

Allebei in rust

D

Met verschillende frequenties

Punten tussen twee knopen trillen in fase; aan weerszijden van een knoop trillen ze in tegenfase. Alle punten hebben dezelfde frequentie; alleen de knoop staat stil. Verwachte fout: in fase kiezen. Syllabus B1.4.

In ℓ = (2n − 1)·¼λ is n = 2 en ℓ = 0,60 m. Bereken λ.

A

1,2 m

B

2,4 m

C

0,80 m

D

0,48 m

ℓ = 3 · ¼λ, dus λ = 4ℓ/3 = 4 · 0,60/3 = 0,80 m. Verwachte fouten: 1,2 m (2n als factor: λ = 4ℓ/2), 2,4 m (n = 1), 0,48 m (n = 3). Controle: 3 · ¼ · 0,80 = 0,60. Syllabus B1.4.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

EXAMENSTOF · B1 · STAANDE GOLVEN

Goed gedaan!

Je kunt nu uit de lengte van een snaar of buis en het type uiteinden de golflengte en alle frequenties bepalen.

This item has no instructions