Mavo 3 les 2


Welcome Class Mavo 3
1 / 27
next
Slide 1: Slide
EngelsSpeciaal OnderwijsLeerroute 2

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson


Welcome Class Mavo 3

Slide 1 - Slide

Rules
-Please put all phones away.
-Hands up for questions or comments.
-Don't speak unnecessarily with your classmates during class.
-Respect each other.

Slide 2 - Slide

At the end of this lesson you ...
- ... know more about the new grammar rules.
- ... have started with the assignments of Lesson 5.
- ... have been able to answer the question on your own piece of paper.

Slide 3 - Slide

going to
Gebruik je als:
- je iets van plan bent om te doen of iets wat eerder is besloten;
- je denkt dat iets gaat gebeuren omdat je het ziet of weet.

am/is/are+going to+hele werkwoord
I am going to see a play tomorrow.
It's going to rain soon.

Ontkennende zinnen: am not/is not/are not
I'm not going to play football.
She is not going to call you.

Vragende zinnen: eerst beginnen met: am/is/are
Are you going to come with us?
Are we going to travel this summer?



Slide 4 - Slide

will/shall
Gebruik je als:
- je denkt dat iets gaat gebeuren of bij voorspellingen waarbij je niet weet of het echt zal gebeuren;
- je iets besluit om te gaan doen op dat moment.

will+hele werkwoord
I will walk with you to school.
He will win the match.
I shall go to school.
Shall we meet tomorrow?

Ontkennende zinnen
Anna won't dance with him.
He won't not help him with his homework.
I shall not disturb you.
I shall not agree with her.


Slide 5 - Slide

have to/has to, must, should

Deze zijn werkwoorden en gebruik je voor het geven van adviezen en bevelen.

Slide 6 - Slide

have to/has to
Gebruik je om aan te geven dat iets gedaan moet worden.

Dus: have to/has to = moeten (informeel)

Examples:
I have to clean my room.
Frank has to apologize to him.

Slide 7 - Slide

must (1)
Gebruik je voor wetten, regels en bevelen.

Dus: must = moeten (formeel)

Examples:
Jason must go to school according to his parents.
You must have a passport if you want to travel.

Slide 8 - Slide

must (2)
Gebruik je ook: om aan te geven dat iets niet anders kan.




Examples:
Your homework must be done before Friday.
We must pay attention to our teacher.

Slide 9 - Slide

should
Betekent: iets moeten doen dat belangrijk is.

Je gebruikt het ook om advies te geven.

Examples:
Anna should join the soccer team.
They should help the guy who fell off his bike.

Slide 10 - Slide

Some (een beetje/wat)
Somebody (iemand)
Someone (iemand)
Something (iets)
Somewhere (ergens)
Any (een beetje/wat)
Anybody (iemand)
Anyone (iemand)
Anything (iets)
Anywhere (ergens)

Slide 11 - Slide

New grammar!

Slide 12 - Slide

WH-questions
What: ?
Which: ?
Who: ?
Why: ?
Where: ?
When: ?
How: ?

Slide 13 - Slide

WH-questions
What: informatie vragen
Which: een keuze vragen
Who: vragen naar iemand
Why: een reden vragen
Where: een plaats vragen
When: een tijdstip vragen
How: een instructie of gevoelens vragen

Slide 14 - Slide

Can, could, to be able to, to be allowed to
Gebruik je als je verteld dat je iets mag of kan.

Slide 15 - Slide

can/can't
Betekent: (niet) kunnen en (niet) mogen.


Example:
Can you see it?
You can't to this.

Slide 16 - Slide

could/couldn't
-zou (niet) kunnen
-verleden tijd van can/can't
-om (geen) hulp of toestemming te vragen op een beleefde manier

Examples:
It could be possible.
We couldn't join you to the meeting.
Could you ask permission from your mother?


Slide 17 - Slide

to be able to
Betekent: kunnen / in staat zijn.

Examples:
Jessy is able to swim very fast.
They are able to win the match.

Let op: gebruik je nooit met has, have, shall, should etc.


Slide 18 - Slide

to be allowed to
Betekent: mogen / het hebben van toestemming.

'To be allowed to' gebruik je met has, have, shall, should etc. en niet met can of could!

Examples:
She is allowed to travel alone.
No one shall be allowed to think it was anything wrong.


Slide 19 - Slide

can/can't
A
(niet) kunnen / (niet) mogen
B
toestemming hebben
C
verleden tijd van can
D
hulp vragen

Slide 20 - Quiz

to be able to
A
toestemming hebben
B
niet kunnen
C
niet mogen
D
kunnen / in staat zijn

Slide 21 - Quiz

could/couldn't
A
zou (niet) kunnen/verleden tijd van can/om (geen) hulp of toestemming te vragen op een beleefde manier
B
mogen
C
in staat zijn
D
toestemming krijgen

Slide 22 - Quiz

to be allowed to
A
konden
B
kunnen
C
in staat zijn
D
mogen/toestemming krijgen

Slide 23 - Quiz

Exercise time
Exercise 4 on page 155
Exercise 7 on page 156
Exercise 8 on page 157

timer
6:00

Slide 24 - Slide

Slide 25 - Slide

Now you ...
- ... know more about the new grammar rules.
- ... have started with the assignments of Lesson 5.
- ... have been able to answer the question on your own piece of paper.

Slide 26 - Slide

Homework
Unit 3 lesson 5: do all exercises + lesson 2,3,4,5 learn words + lesson 2,4,5 learn grammar

Slide 27 - Slide