,

Schrijfvaardigheid toets P1

1 / 22
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 4

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Los objetivos de esta clase
Je oefent met het schrijven van correcte Spaanse zinnen als voorbereiding op de komende schrijftoets.

Taaldoelen – Ik oefen met:
- De juiste werkwoordstijden.
- De juiste werkwoordsvormen.
- De Spaanse woordvolgorde.
- Het toepassen van de geleerde grammatica.

Slide 2 - Slide

Hoe ziet de toets eruit?
  • Losse zinnen vertalen NL-SP in Presente, Perfecto en Indefinido (zowel regelmatig als onregelmatig)
  • Een stukje schrijven over bv jezelf, je dagelijks leven, wat je gedaan hebt in het weekend of in je vakantie (of combi van dit alles)

Slide 3 - Slide

Welke grammatica moet je beheersen?
• Presente regelmatig + onregelmatig 
• Perfecto regelmatig + onregelmatig 
• Indefinido regelmatig + onregelmatig 
• Signaalwoorden om de perfecto en indefinido te herkennen (ayer, hoy etc..)
• Het wederkerende werkwoord 
• Kloktijden 
• Structuurwoorden (también, además, pero etc..)
• Zinsbouw in het Spaans
• Vocabulario Ned-Sp (zie lijst inhoudsbestand en studygo)

Slide 4 - Slide

Perfecto vs Indefinido
¿Qué recordamos? 
Wat weten we nog...

Slide 5 - Slide

Perfecto of Indefinido

Ayer mis amigos y yo ..........(ir) al cine
A
hemos ido
B
fueron
C
fuimos
D
han ido

Slide 6 - Quiz

Perfecto of Indefinido

Hoy Elena ..........(estudiar) mucho
A
estudiado
B
ha estudiado
C
estudió
D
has estudiado

Slide 7 - Quiz

Indefinido: periode is al afgelopen
SIGNAALWOORDEN
ayer
anteayer
anoche
la semana pasada
el mes pasado
el año pasado
hace unos días
hace un año
en 2018

Perfecto: periode is nog bezig
SIGNAALWOORDEN
hoy
esta mañana
esta semana
este mes
este año
nunca
ya
todavía no
alguna vez


Slide 8 - Slide

Zinsvolgorde
Er zijn verschillen tussen de woordvolgorde in het Spaans en in het Nederlands. Het belangrijkste verschil is dat alle werkwoorden in het Spaans bij elkaar staan.
 

- Volgorde: Onderwerp + alle werkwoord(en)  + de rest van de zin.
Voorbeeld:
Ik koop een cadeau.                                                    Compro un regalo
Ik ga een cadeau kopen                                             Voy a comprar un regalo

Slide 9 - Slide

Tijdsbepalingen
Helemaal vooraan of helemaal achteraan in de zin.

 
Voorbeelden:
Morgen ga ik niet naar school        Mañana no voy a ir al colegio
Morgen ga ik niet naar school        No voy a ir al colegio mañana


Slide 10 - Slide

Concordantie bijvoeglijk naamwoord:
Het bijvoeglijk naamwoord past zich in getal en geslacht aan het zelfstandig naamwoord, ook als het erachter staat (wat in het Spaans meestal het geval is) 

de aardige mensen                                      la gente simpática 
de knappe jongen                                        el chico simpático
de grote jongens                                           los chicos altos 
enkele knappe meisjes                              unas chicas guapas 

Slide 11 - Slide

Hoe maak je een goede zin?
Onderwerp +  werkwoord(en) + hoe, waar, wanneer, wat, etc.

Yo + como + un postre
Rosa + quiere leer + un libro
La clase + ha sido + aburrido

Slide 12 - Slide

1. Staan alle werkwoorden bij elkaar?
  • Ayer bailamos y bebimos
  • El chico está nadando en la piscina
  • Voy a estudiar en el extranjero
  • Hoy hemos desayunado muy temprano
  • Esta mañana me he levantado tarde

Slide 13 - Slide

2. Staat de ontkenning vóór het vervoegde werkwoord?
  • El chico no está nadando
  • No voy a estudiar
  • No hemos desayunado
  • No me he levantado


Slide 14 - Slide

Conectores 

Structuurwoorden 

Slide 15 - Slide

Conectores (Structuurwoorden)
pero
maar
también
ook
tampoco
ook niet
todavía
nog
todavía no
nog niet
porque
omdat
y
en
con
met
de
van
para
voor
además
bovendien
después
daarna
como
aangezien
casi
bijna

Slide 16 - Slide

Plaats de woorden in de juiste volgorde:

restaurante - en - está - centro - de - el - Madrid

Slide 17 - Open question

Plaats de woorden in de juiste volgorde:

jugar - gusta - mucho - al - me - fútbol

Slide 18 - Open question

Plaats de woorden in de juiste volgorde:

todavía - hecho - tus - no - deberes - has

Slide 19 - Open question

1. amigos / mis / he / con / salido / este / fin / semana / de
2. unos / hemos / españoles / después / visitado / pueblos
3. estudiar / hoy / tenido / para / no / he / tiempo
4. Barcelona / viajaron / hace / amigos / dos / mis / años / a

EXTRA opdracht: Kies twee zinnen en voeg extra informatie toe. Vertel bijvoorbeeld met wie je iets hebt gedaan, waar je bent geweest, wat je daarna nog hebt gedaan of wat je ervan vond.

Slide 20 - Open question

¿Cómo te ha ido hoy?
A
Muy bien (he entendido perfectamente)
B
Bien (he entendido casi todo)
C
Regular (necesito practicar más)
D
Mal (necesito ayuda)

Slide 21 - Quiz

¡A trabajar!

¿Qué?:  Schrijf een paar zinnen over je vakantie. Denk aan: waar je bent geweest, wat heb je gezien, wat heb je gedaan, hoeveel dagen ben je gebleven etc. Probeer zowel de perfecto als de indefinido te gebruiken. 
¿Cómo?: individualmente  
¿Tiempo?: 15 minutos 
Degenen die eerder klaar zijn, gaan elkaars zinnen controleren en evt verbeteren

 


timer
15:00
Escritura 

Slide 22 - Slide