This lesson contains 11 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 20 min
Items in this lesson
5 VWO - aardrijkskunde
oefenen met formuleren en examenoefening
Slide 1 - Slide
Welk antwoord vind je beter?
1
2
Slide 2 - Slide
Welk antwoord vind je beter? Licht je keuze toe.
1
2
3
Slide 3 - Slide
Waar moet je aan denken bij het goed formuleren van een antwoord bij aardrijkskunde?
Slide 4 - Open question
Vuistregels
Gebruik geografische begrippen en termen / leg begrippen kort uit indien dit in de vraag staat.
Helder en bondig taalgebruik; geen onnodige uitweidingen/voorbeelden en vaag taalgebruik (dingen/ontwikkelingen/processen/gebeurtenissen... nog meer?).
Heldere structuur en opbouw. Bijvoorbeeld: Oorzaak: Gevolg:
Verwijs altijd naar de gebieden die in de vraag worden gegeven; het kustgebied/het binnenland.
Gebruik concrete gegevens uit bronnen en kaarten; kijk naar focuswoorden (komt een bepaald woord vaak voor?). Ga er geen andere zaken bijhalen.
Gebruik de windrichtingen correct (in het oosten zien we dit….) / gebruik geen links/rechts/boven/onder.
Vuistregel: 1 punt = 1 zin (bekijk eens uitwerkingen van eerdere examens!)