2.1 Jouw inkomsten en uitgaven

Even herhalen H1
Wat zijn behoeften?
Wat is consumeren?
Wat is produceren?
Wat zijn goederen?
Wat zijn diensten?

1 / 34
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Even herhalen H1
Wat zijn behoeften?
Wat is consumeren?
Wat is produceren?
Wat zijn goederen?
Wat zijn diensten?

Slide 1 - Slide




Ingrid van Boven
ivb@reynaert.nl



Neem iedere les mee:
  • laptop
  • rekenmachine
  • boek

Slide 2 - Slide

2. Hoe ga je met geld om?
2.1 Jouw inkomsten en uitgaven

Slide 3 - Slide

2.1 Inkomsten en uitgaven
  • Ik kan verschillende soorten inkomen uitleggen.
  • Ik kan uitgaven in groepen onderverdelen.
  • Ik kan bedragen omrekenen van week naar maand en omgekeerd.
  • Ik kan een begroting maken van inkomsten en uitgaven.

Slide 4 - Slide

Wat is inkomen?

Slide 5 - Open question

Verdeel de onderstaande
inkomsten in 3 logische groepen.
  • Schrijf de inkomsten over in je schrift
  • Werk in tweetallen
Loon
Huurinkomsten
Zorgtoeslag
Dividend op aandelen
AOW
Overwerkvergoeding
Kinderbijslag
Studiefinanciering
Bonus
Eindejaarsuitkering
Vakantiegeld
Werkloosheidsuitkering
Winst
timer
3:00

Slide 6 - Slide

Verdeel de onderstaande
inkomsten in 3 logische groepen.
  • Vergelijk jullie oplossing met die van een ander tweetal.
  • Probeer tot één eindresultaat te komen.
Loon
Huurinkomsten
Zorgtoeslag
Dividend op aandelen
AOW
Overwerkvergoeding
Kinderbijslag
Studiefinanciering
Bonus
Eindejaarsuitkering
Vakantiegeld
Werkloosheidsuitkering
Winst
timer
3:00

Slide 7 - Slide

Verdeel de onderstaande
inkomsten in 3 logische groepen.
  • Juiste oplossing, maar waarom?
Loon
Huurinkomsten
Zorgtoeslag
Bonus
Winst
AOW
Vakantiegeld
Dividend op aandelen
Studiefinanciering
Eindejaarsuitkering
Kinderbijslag
Overwerkvergoeding
Werkloosheidsuitkering
timer
1:00

Slide 8 - Slide

Juiste oplossing maar waarom?

Slide 9 - Open question

Soorten inkomen
  • Loon of salaris: ontvang je vanuit werk
  • Winst: is je inkomen als je een eigen bedrijf hebt
  • Uitkering: ontvang je van de overheid als je bijvoorbeeld werkloos of arbeidsongeschikt bent

Slide 10 - Slide

wat kun je met
je inkomen doen

Slide 11 - Mind map

Verdeel de onderstaande
uitgaven in 3 logische groepen.
  • Vergelijk jullie oplossing met die van een ander tweetal.
  • Probeer tot één eindresultaat te komen.
Huur
Vakantie
Drank
Reparatie auto
Hondenbrokken
Abonement Netflix
Wasproduct
Gas, water en elektriciteit
Nieuwe telefoon
Verjaardagscadeau
Schoonmaakmiddel
Zorgverzekering
Tandpasta en shampoo
Sportabonnement
Tandarts
timer
3:00

Slide 12 - Slide

hoe noem je het bedrag dat
je kunt uitgeven

Slide 13 - Mind map

Verdeel de onderstaande
uitgaven in 3 logische groepen.
  • Schrijf de uitgaven over in je schrift
  • Werk in tweetallen
Huur
Vakantie
Drank
Reparatie auto
Hondenbrokken
Abonement Netflix
Wasproduct
Gas, water en elektriciteit
Nieuwe telefoon
Verjaardagscadeau
Schoonmaakmiddel
Zorgverzekering
Tandpasta en shampoo
Sportabonnement
Tandarts
timer
3:00

Slide 14 - Slide

Verdeel de onderstaande 
uitgaven in 3 logische groepen.
  • Juiste oplossing, maar waarom?
Huur
Drank
Vakantie
Abonnement Netflix
Hondenbrokken
Reparatie auto
Gas, water en elektriciteit
Wasproduct
Nieuwe telefoon
Zorgverzekering
Schoonmaakmiddel
Verjaardagscadeau
Sportabonnement
Tandpasta en shampoo
Tandarts
timer
1:00

Slide 15 - Slide

Juiste oplossing maar waarom?

Slide 16 - Open question

Uitgaven
Er zijn 3 soorten uitgaven:
  • Huishoudelijke uitgaven: dagelijkse uitgaven en persoonlijke verzorging.
  • Vaste lasten: komen met enige regelmaat terug.
  • Incidentele uitgaven: onverwachte of grote uitgaven waarvoor je best reserveert.
      
      

Slide 17 - Slide

Een broodje kopen in de kantine
A
huishoudelijke uitgave
B
incidentele uitgave
C
vaste last

Slide 18 - Quiz

Aankoop van
shampoo?
A
huishoudelijke uitgave
B
incidentele uitgave
C
vaste last

Slide 19 - Quiz

Reparatie van een computer?
A
huishoudelijke uitgave
B
incidentele uitgave
C
vaste last

Slide 20 - Quiz

Aankoop van een wasmachine?
A
huishoudelijke uitgave
B
incidentele uitgave
C
vaste last

Slide 21 - Quiz

Abonnement van je
telefoon
A
huishoudelijke uitgave
B
incidentele uitgave
C
vaste last

Slide 22 - Quiz

Vergelijken
Jan verdient € 20 per maand met auto's wassen. 
Saskia krijgt € 4 zakgeld per week.

Wie ontvangt meer?

Slide 23 - Slide

Omrekenen van week naar maand

Slide 24 - Slide

Omrekenen van week naar maand
  • Stap 1: reken het bedrag per week om naar jaar (hoeveel weken zitten er in een jaar)                      
  •                                               X 52 (weken)

  • Stap 2: reken het bedrag per jaar om naar maand (hoeveel maanden zitten er in een jaar)
                                       
  •                                               delen door 12 (maanden)
                    

Slide 25 - Slide

Omrekenen van maand naar week

Slide 26 - Slide

Omrekenen van maand naar week
  • Stap 1: reken het bedrag per maand om naar jaar (hoeveel maanden zitten er in een jaar)                      
  •                                               X 12 (maanden )

  • Stap 2: reken het bedrag per jaar om naar week (hoeveel wekenzitten er in een jaar)
                                       
  •                                               delen door 52 (weken)
                    

Slide 27 - Slide

Opdracht 10 blz. 47
Bereken het bedrag per maand.

Slide 28 - Open question

Opdracht 12 blz. 48
Bereken het bedrag per week.

Slide 29 - Open question

Begroting

Slide 30 - Mind map

Begroting
Begroting = Overzicht van je verwachte inkomsten en uitgaven voor de komende periode.

Slide 31 - Slide

Maak samen opdracht 16 op blz. 48
  • Wat is het totaalbedrag aan inkomsten?
  • Wat is het totaalbedrag aan uitgaven?
  • Heb je geld over of kom je geld tekort?
  • Welk bedrag heb je over of kom je tekort?

Slide 32 - Slide

Maak opdracht 17 op blz. 49
Let op: kijk goed of de bedragen per week of maand zijn en reken deze om. De begroting wordt gevraagd op weekbasis of maandbasis?

Slide 33 - Slide

Huiswerk
Maak opdracht 14 -15 -17

Slide 34 - Slide