Determineren en aanpassingen (Biologie vmbo), les 2: Examentraining

ORGANISMEN · AANPASSINGEN

Examentraining

Determineren en aanpassingen: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBiologieMiddelbare schoolvmboLeerjaar 3,4

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Examentraining met 8 vragen over een determineertabel gebruiken, bouw die past bij voedsel, bloemen vergelijken en erfelijk of milieu, met stappenplan en tips.

Items in this lesson

ORGANISMEN · AANPASSINGEN

Examentraining

Determineren en aanpassingen: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Christoph Strässler from Oberdorf BL, Schweiz / Wikimedia Commons, CC BY-SA 2.0

ORGANISMEN · AANPASSINGEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan examenvragen over determineren en aanpassingen aanpakken en mijn antwoord kort uitleggen.

This item has no instructions

ORGANISMEN · AANPASSINGEN

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wat voor vraag is het: een tabel, een plaatje of bouw en leefwijze?

  • 2. Zoek: de gegevens in de vraag, zoals voedsel, omgeving of kenmerken.

  • 3. Koppel: kies het onderdeel dat bij het voedsel of de omgeving past.

  • 4. Schrijf: een kort antwoord, bij uitleg met het woord omdat.

This item has no instructions

ORGANISMEN · AANPASSINGEN

Vraagtype 1: een determineertabel gebruiken

  • Begin bij nummer 1 en kies a of b.

  • Ga naar het nummer dat bij je keuze staat.

  • Staat er een naam? Dan ben je klaar.

  • Voorbeeld: zes poten is 1b, dus ga je naar 2.

Syllabus BI/K/6.1. Laat leerlingen de tabel met hun vinger volgen.

Een dier heeft zes poten en doorzichtige vleugels. Welk dier is het?

A

Een bij

B

Een vlinder

C

Een spin

D

Dat staat niet in de tabel

1b (zes poten), ga naar 2, dan 2b (doorzichtige vleugels): bij. Verwachte fout: vlinder kiezen omdat een vlinder ook zes poten en vleugels heeft. Image credit: LessonUp Studio (eigen tabel), CC0

Een dier komt bij nummer 2 uit. Hoeveel poten heeft het dier?

A

Vier

B

Acht

C

Zes

D

Twee

Nummer 2 volgt op 1b: zes poten. Verwachte fout: acht kiezen, omdat de spin bij 1a staat. Image credit: LessonUp Studio (eigen tabel), CC0

Kop met haakvormige snavel en poot met klauwen van een roofvogel (tekening)

ORGANISMEN · AANPASSINGEN

Vraagtype 2: bouw past bij voedsel

  • Zoek eerst wat het dier eet.

  • Kies dan de snavel, kies of darm die erbij past.

  • Voorbeeld: een haakvormige snavel scheurt vlees van prooien.

  • Een langer darmkanaal hoort bij planteneters.

Image credit: Walter Heubach (German, 1865-1923) / Wikimedia Commons, Public domain

Een vogel heeft een kegelvormige snavel. Wat eet deze vogel waarschijnlijk?

A

Insecten

B

Zaden

C

Vlees van prooien

D

Nectar

Kegelvormig past bij zaadeters. Verwachte fout: insecten kiezen, omdat leerlingen alle kleine vogels insecteneters vinden.

Waarom heeft een koe een lang darmkanaal?

Plantaardig voedsel is moeilijk te verteren en dat duurt langer. Verwachte fout: antwoorden dat een koe veel eet.

Windbloem en insectenbloem vergeleken

ORGANISMEN · AANPASSINGEN

Vraagtype 3: bloemen vergelijken

  • Kijk naar kleur, geur, nectar en stuifmeel.

  • Opvallend en geur: insecten. Klein en onopvallend: wind.

  • Kijk ook naar de meeldraden en de stempel.

  • Leg uit met het woord omdat.

Image credit: LessonUp Studio (eigen tabel), CC0

Een bloem heeft nectar, geur en plakkerig stuifmeel. Welke bloem is dit?

A

Een windbloem

B

Een waterbloem

C

Een bloem zonder stamper

D

Een insectenbloem

Nectar, geur en plakkerig stuifmeel horen bij insectenbestuiving. Verwachte fout: windbloem kiezen.

Waarom is een windbloem klein en zonder geur?

Een windbloem hoeft geen insecten aan te trekken, want de wind brengt het stuifmeel. Verwachte fout: zeggen dat de bloem dan verdroogt.

ORGANISMEN · AANPASSINGEN

Vraagtype 4: erfelijk of milieu

  • Erfelijk: de aanleg die je van je ouders krijgt.

  • Milieu: licht, voeding en temperatuur.

  • Zelfde soort maar verschil? Kijk wat er anders was.

  • Soorten verschillen door andere erfelijke factoren.

Syllabus BI/K/6.2. Leerwegverschil: BB behandelt dit niet; het is stof voor KB en GL/TL.

Twee planten van één soort groeien anders door licht. Welke factor?

A

Een erfelijke factor

B

Een aanpassing aan kou

C

Een kenmerk van de soort

D

Een milieufactor

Licht is een omstandigheid, dus een milieufactor. Verwachte fout: erfelijke factor kiezen.

Erfelijke factor of milieufactor: voeding?

Milieufactor, voeding is een omstandigheid. Verwachte fout: erfelijke factor noemen.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Een determineertabel gebruiken

2

Bouw past bij voedsel

3

Bloemen vergelijken

4

Erfelijk of milieu

Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen kort na met een voorbeeld.

ORGANISMEN · AANPASSINGEN

Tips voor op het examen

  • Begin in een determineertabel altijd bij nummer 1.

  • Zoek bij een bouwvraag eerst het voedsel of de omgeving en kies dan het onderdeel.

  • Windbloem: klein en droog stuifmeel. Insectenbloem: opvallend, geur en nectar.

  • Schrijf bij uitleg een zin met het woord omdat.

This item has no instructions