11.5 De nieren (zelfstandig)

11.5 De nieren
Deze LessonUp bestaat uit twee delen: 
  1. Anatomie nieren + vorming urine (blz. 106 t/m 110)
  2. Tegenstroomprincipe + hormonale invloed (blz 110 + 111)
1 / 45
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

This lesson contains 45 slides, with interactive quiz, text slides and 3 videos.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson

11.5 De nieren
Deze LessonUp bestaat uit twee delen: 
  1. Anatomie nieren + vorming urine (blz. 106 t/m 110)
  2. Tegenstroomprincipe + hormonale invloed (blz 110 + 111)

Slide 1 - Slide

Deelconcepten 11.5
voorurine, nierschors, niermerg, nierschors, urineleider, urineblaas, urinebuis, nefronen, glomerulus, kapsel van Bowman, ultrafiltratie, gekronkelde nierbuisje, lis van Henle, verzamelbuisje, terugresorptie, colloïd osmotische waarde waterkanalen

Slide 2 - Slide

Binastabellen 11.5
BINAS 85A Nieren
BINAS 85B Samenstelling bloedplasma en urine
BINAS 85C Niereenheid/ nefron
BINAS 85D Osmoregulatie
BINAS 89A Hormonen


Slide 3 - Slide

Leerdoelen 11.5 deel 1
Je leert de anatomie van je nieren
Je leert hoe je nieren stoffen uitscheiden

Deze leerdoelen horen bij de tekst op pagina 106 t/m 110


Slide 4 - Slide

Slide 5 - Video

Functie van de nieren
Uit het lichaam (bloed) verwijderen van afvalstoffen (zoals ureum), overtollige zouten, overtollig water en lichaamsvreemde stoffen (afbraakproducten van medicijnen).

Slide 6 - Slide

Bouw van de nieren
In de buikholte, bloedtoevoer door de nierslagader (1L/min), afvoer door de nierader.
Urineleiders voeren
aangemaakte urine
af naar blaas
Blaas voert urine af
door de urinebuis/ plasbuis


Slide 7 - Slide

Bouw van de nieren
Nier bestaat uit nierschors, 
niermerg en nierbekken.

Een functionele eenheid 
van een nier heet nefron

Slide 8 - Slide

Bouw van de nieren
Je hebt in elke nier 1,3 miljoen
nefronen.
Nefron begint in de schors, 
lus naar het merg, terug naar
de schors en dan richting 
nierbekken.




Slide 9 - Slide

Glomerulus (bundel haarvaten) binnen een kapsel van Bowman
--> hierin ontstaat zo'n 180 L voorurine per dag, waarvan 99% weer terug naar het bloed gaat. 

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Link

Slide 12 - Link

Vormen van transport in nieren
Gefaciliteerd transport: via eiwitpoorten.

Passief: kost geen energie (ATP) = Diffusie en Osmose

Actief: kost energie (ATP)

Slide 13 - Slide

Gefaciliteerd Cotransport
Bij cotransport gaan meerdere stoffen door dezelfde poort, gecombineerd.

Symport: stoffen gaan dezelfde kant op

Antiport: stoffen gaan tegengestelde kanten op

Slide 14 - Slide

Passief transport 

Diffusie = transport met de concentratiegradiënt mee. 

Bij ionen ook in in de richting van tegengestelde lading. 

Slide 15 - Slide

Actief transport
Transport van stoffen tegen een concentratiegradiënt in, kost energie (ATP)

Slide 16 - Slide

Secundair actief transport
Wanneer het transport
afhankelijk is van een
investering van 
energie elders
(glucose) heet dit ook
wel secundair actief
transport.

Slide 17 - Slide

Kapsel van Bowman/ glomerulus
Haarvaten in het kapsel van Bowman zijn sterk vertakt: glomerulus.

Haarvaten hebben poriën-> er kan in korte tijd veel bloedplasma door.

Extra hoge bloeddruk in de glomerulus door verschil diameter tussen aan- en afvoerend slagadertje 

--> ultrafiltratie


Slide 18 - Slide

Kapsel van Bowman/ glomerulus
In het filtraat/ de voorurine zitten: water, glucose en andere voedingsstoffen, zouten, ureum, andere afvalstoffen.

Bloedcellen, bloedplaatjes, plasma-eiwitten, micellen blijven in het bloed.

Slide 19 - Slide

Voorurine -> urine
In het filtraat/ de voorurine zitten: water, glucose, zouten, ureum, andere afvalstoffen.

1. Glucose, aminozuren, vitaminen en andere voedingsstoffen moet weer terug in de bloedbaan.
2. Water en zouten moeten deels weer terug in de bloedbaan.
3. Ureum en andere afvalstoffen moeten in de voorurine blijven.
4. Extra H+ ionen moeten naar de voorurine (om te voorkomen dat bloed te zuur wordt)

Slide 20 - Slide

BINAS 85C
en blz. 108 bron 24

Slide 21 - Slide

In het eerste gekronkelde nierbuisje vindt terugresorptie (reabsorptie) plaats. 

Actief transport:
glucose, aminozuren, vitamines, hormonen, K+, Na+ en Cl- ionen terug naar het bloed.






Slide 22 - Slide

Passief transport
Door osmose volgt het water (in de richting van de hoogste concentratie stoffen/ colloïd osmotische druk)

80% van het water uit de voorurine gaat hierdoor al terug naar het bloed. 

Slide 23 - Slide

Cellen van de nierwand geven NH3 af, dit vormt in de voorurine NH4+ (met een H+ ion, actief transport) wat dan niet meer terug kan.

-> bloed minder zuur maken.

Slide 24 - Slide

Lis van Henle - dalende been
Cellen in dit deel bevatten veel waterkanalen en geen transportkanalen voor andere stoffen.

Osmose zorgt voor terugresorptie water in de weefselvloeistof .

Hoe dieper in het niermerg, hoe hoger de osmotische waarde van de omgeving.

Slide 25 - Slide

Osmotische waarde in de nier
= Laag in de nierschors 
(ongeveer gelijk aan 
bloedplasma en 
weefselvloeistof).

= Hoog het het niermerg

Slide 26 - Slide

Lis van Henle - stijgende been
Dun deel: passief transport Na+ en Cl- naar buiten: osmotische waarde weefselvloeistof stijgt/ voorurine daalt.

In dit deel wordt ook ureum uit de weefselvloeistof gehaald.


Slide 27 - Slide

Lis van Henle - stijgende been
Dikke deel: actief transport van Na+ via symport samen met en Cl- (volgt door lading)

Géén transport van water uit stijgende been!

Slide 28 - Slide

Tweede gekronkelde nierbuisje
Actief transport via antiport van 2K+ naar binnen (ín de voorurine), 3Na+ naar buiten (naar weefsel/ bloed).

Slide 29 - Slide

Tweede gekronkelde nierbuisje
Water volgt door osmose.

Actieve opname H+ in voorurine en afgifte van HCO3- reguleren pH van het bloed

Slide 30 - Slide

Verzamelbuisje
Waterkanalen zorgen voor terugstromen water in het bloed.

Door de osmotische gradiënt blijft dit gebeuren van schors tot merg.

Slide 31 - Slide

Verzamelbuisje
Onderste deel is permeabel voor ureum. Hierdoor wordt de osmotische waarde van het niermerg hoog gehouden.

Actieve uitscheiding van NaCl
-> osmotische waarde weefselvloeistof stijgt -> terugresorptie van water via osmose

Slide 32 - Slide

Leerdoelen 11.5 deel 2
Je leert hoe het tegenstroomprincipe in je nieren werkt
Je leert hoe hormonen de water- en zouthuishouding van je lichaam regelen
Je leert hoe hormonen je bloeddruk aanpassen

Deze leerdoelen horen bij de tekst op pagina 110 en 111

Slide 33 - Slide

Tegenstroompricipe
Het bloed rond het nier-
buisje loopt de andere
kant op dan de voorurine.
Dit bevorderd de terug-
resorptie van water.

Slide 34 - Slide

Slide 35 - Slide

Leg uit wat het voordeel is van een tegenstroomprincipe

Slide 36 - Open question

Slide 37 - Video

Opdracht
Teken de regelkring van de regeling van de osmotische waarde van het interne milieu met behulp van ADH

Gebruik eventueel ook nog de volgende dia (bron 27)

Slide 38 - Slide

Slide 39 - Slide

Opdracht: oefening figuurlezen
Leg bij de vorige dia uit hoe je na veel transpiratie met zoutverlies zoveel mogelijk zout in het interne milieu kan houden.

Controleer je antwoord met de volgende twee dia's

Slide 40 - Slide

Zoutregeling via hormonen - Renine en aldosteron
- Er is een te laag zoutgehalte in het bloed (te lage osmotische waarde).
- Hierdoor verlaagt de bloeddruk en verhoogt de afgifte van renine 
- dit stimuleer de aanmaak van angiotensine  II
- Dit verhoogt de afgifte van Aldosteron in de bijnierschors.
- Terugresorptie van Na+ neemt toe 
- Je lichaam houdt dus meer NA+ vast

(Zie BINAS 89A, 89C en 85D)


Slide 41 - Slide

Tweede gekronkelde nierbuisje
Aldosteron bevordert de werking van de Na/K pompen in het tweede gekronkelde nierbuisje.

Hoe meer Aldosteron hoe meer zout er uit de voorurine wordt gehaald en terug naar het bloed wordt gepompt.








Slide 42 - Slide

Tweede gekronkelde nierbuisje
Actief transport via antiport van 2K+ naar binnen (ín de voorurine), 3Na+ naar buiten (naar weefsel/ bloed).

Slide 43 - Slide

Hormonen - Bloeddruk
Renine en ADH zijn ook betrokken bij het regelen van de bloeddruk. Veel water vasthouden betekent een hogere bloeddruk. 
Veel water verliezen betekent een lagere bloeddruk -> plaspillen

In de volgende uitlegvideo wordt de regeling van de bloeddruk door zowel het bloedvatenstelsel als het uitscheidingsstelsel uitgelegd.



Slide 44 - Slide

Slide 45 - Video