3THV - L'adverbe - het bijwoord

L'adverbe - het bijwoord 
1 / 22
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

L'adverbe - het bijwoord 

Slide 1 - Slide

Elle porte une robe rouge.
'rouge' heeft in deze zin de functie van het ...
A
bijwoord
B
bijvoeglijk naamwoord

Slide 2 - Quiz

Je suis allée directement à la maison.
'directement' heeft in deze zin de functie van het ...
A
bijwoord
B
bijvoeglijk naamwoord

Slide 3 - Quiz

4.5 het bijwoord 


Deel 1: wat is een bijwoord?

Slide 4 - Slide

4.5 het bijwoord 
Elle porte une robe rouge.
  • Het bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord.

Je suis allée directement à la maison.
  • Het bijwoord zegt iets over andere woorden (werkwoord/bijvoeglijk naamwoord/ander bijwoord/hele zin).

Slide 5 - Slide

4.5 het bijwoord 
Enkele voorbeelden van het bijwoord:

  • J'ai très mal dormi.  (werkwoord)
  • Cette robe est vraiment belle! (bijvoeglijk naamwoord)
  • Tu parles vraiment bien français! (ander bijwoord)
  • Heureusement, on a gagné le prix. (hele zin)

Slide 6 - Slide

Vous pouvez parler lentement, s'il vous plait?
'lentement' zegt iets over ...
A
vous
B
pouvez
C
parler
D
s'il vous plait

Slide 7 - Quiz

Elle s'amuse vraiment bien!
'vraiment' zegt iets over ...
A
elle
B
s'amuse
C
bien

Slide 8 - Quiz

4.5 het bijwoord 


Deel 2: hoe vorm ik het bijwoord?

Slide 9 - Slide

4.5 het bijwoord 
vrai             Elle s'amuse vraiment bien!
terrible     Mon copain est terriblement fâché.

  • bijvoeglijk naamwoord dat eindigt op een klinker (a, e, i, o, u, y): voeg -ment toe


Slide 10 - Slide

4.5 het bijwoord 
lent                    Vous pouvez parler lentement?
direct               Je suis allée directement à la maison.
heureux          Heureusement, on a gagné le prix.
aggresif          Ils ont joué aggresivement

  • bijvoeglijk naamwoord dat eindigt op een medeklinker: 
    1) maak het woord eerst vrouwelijk, 2) voeg -ment  toe


Slide 11 - Slide

4.5 het bijwoord 

Slide 12 - Slide

4.5 het bijwoord

Slide 13 - Slide

bon (goed)
mauvais (slecht)
meilleur (beter)
rapide (snel) 
long (lang, tijd)
bien
mal
mieux 
vite 
longtemps

Slide 14 - Drag question

Vul het bijwoord in.
Je trouve les maths ___ difficile. (extrême)

Slide 15 - Open question

Vul het bijwoord in.
___, je dois sortir. (malheureux)
HOOFDLETTER

Slide 16 - Open question

Vul het bijwoord in.
Vous vous sentez ___ ? (meilleur)

Slide 17 - Open question

Vul het bijwoord in.
Elle descend ___ en skis. (facile)

Slide 18 - Open question

Vul het bijwoord in.
J'ai ___ demandé le chemin. (seul)

Slide 19 - Open question

Vul het bijwoord in.
Je me sens ___ malade. (terrible)

Slide 20 - Open question

Vul het bijwoord in.
Ils ont joué ___. (agressif)

Slide 21 - Open question

4.5 het bijwoord 


des questions?

Slide 22 - Slide