VORMING · SOCIALISATIE
Examentraining
Socialisatie en identiteit: zo pak je examenvragen aan
VORMING · SOCIALISATIE
Examentraining
Socialisatie en identiteit: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Oscar del Pozo / Europese Commissie, Audiovisual Service / Wikimedia Commons, CC BY 4.0
VORMING · SOCIALISATIE
Wat ga je kunnen?
Ik kan examenvragen over socialisatie en identiteit beantwoorden door concepten concreet te maken in een casus en bronnen te beoordelen.
This item has no instructions
VORMING · SOCIALISATIE
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat vraagt de vraag: noem, leg uit, verklaar of beoordeel?
2. Zoek: welk concept zit in de casus of bron? Onderstreep de aanwijzing.
3. Maak concreet: haal een zin of gegeven uit de bron en koppel het aan de omschrijving van het concept.
4. Schrijf: concept, aanwijzing uit de bron, conclusie. Alleen een definitie opschrijven is te weinig.
This item has no instructions
Een meisje kijkt op een smartphone
VORMING · SOCIALISATIE
Vraagtype 1: een concept toepassen
Je krijgt een korte casus en moet een kernconcept herkennen.
Actief gebruik gaat verder dan de definitie: maak het concept concreet in de casus.
Schrijf: het concept, de aanwijzing uit de casus, de koppeling.
Syllabus A2: in het centraal examen worden kandidaten gevraagd hoofd- of kernconcepten toe te passen op bekende of nieuwe contexten; actief gebruik gaat verder dan reproductie van de definitie (recontextualiseren). Veelgemaakte fout: de definitie opschrijven zonder naar de casus te verwijzen. Image credit: Bicanski / Pixnio via Wikimedia Commons, CC0
Hamza kleedt zich net als zijn favoriete influencer. Welk begrip past?
Acculturatie door een andere cultuur
Cultuuroverdracht door de overheid
Economisch kapitaal van de familie
Identificatie met een rolmodel
Goed: socialisatie verloopt vaak via identificatie, het overnemen van gedrag van iemand op wie je wilt lijken. Een influencer is hier een socialisator. Acculturatie vraagt om het aanleren van een andere cultuur dan waarin je bent opgegroeid, en daar staat niets over in de casus.
Eva leert op school dat je elkaar uit laat praten. Welk concept past?
Goed antwoord: socialisatie, met als vorm cultuuroverdracht via onderwijs: de school geeft een norm door en Eva verwerft die (cultuurverwerving). Als Eva de norm vanzelfsprekend gaat vinden, heeft ze hem geïnternaliseerd. Verwachte fout: alleen het woord socialisatie noemen zonder te koppelen aan de norm uit de casus.
VORMING · SOCIALISATIE
Vraagtype 2: ongelijkheid verklaren met kapitaal
Je moet uitleggen waarom socialisatie niet voor iedereen hetzelfde verloopt.
Gebruik de drie soorten kapitaal: economisch, sociaal en cultureel.
Eindig met het gevolg: sociaal overgeërfde verschillen, bijvoorbeeld in opleiding.
Syllabus 4.1: het verloop van socialisatieprocessen is sterk milieuafhankelijk; de verschillen leiden tot sociale ongelijkheid; kapitaal speelt een rol tijdens de socialisatie. Veelgemaakte fout: alleen 'rijke ouders' schrijven. Eis dat een leerling minstens een soort kapitaal noemt en het gevolg uitlegt.
Lottes ouders hebben veel contacten in de advocatuur. Welk kapitaal is dit?
Economisch kapitaal
Cultureel kapitaal
Sociale identiteit
Sociaal kapitaal
Goed: connecties en netwerken zijn sociaal kapitaal. Wie economisch kapitaal kiest, denkt aan geld, maar de casus noemt contacten. Sociale identiteit is geen kapitaal maar een beeld van jezelf.
Leg uit hoe socialisatie kan bijdragen aan sociale ongelijkheid.
Goed antwoord: socialisatie is milieuafhankelijk; kinderen krijgen via hun ouders en omgeving verschillend economisch, sociaal en cultureel kapitaal mee; daardoor verschillen opleiding en kansen, en die verschillen worden deels sociaal overgeërfd, zodat ongelijkheid blijft bestaan. Verwachte fout: alleen zeggen dat sommige kinderen meer geld hebben.
VORMING · SOCIALISATIE
Vraagtype 3: een bron beoordelen
Objectief: gebaseerd op feiten en wetenschappelijke bevindingen, niet op meningen.
Betrouwbaar: gedegen, controleerbaar en bevestigd door andere bronnen.
Representatief: een zo volledig mogelijke weerspiegeling van de groep waar het om gaat.
Noem het criterium en het bewijs uit de bron.
Syllabus A1: de kandidaat beoordeelt de bruikbaarheid van bronnen en typeert ze naar mate van objectiviteit, betrouwbaarheid en representativiteit. Objectiviteit toets je met vragen als: wat is het doel van het geschrevene, hoe zijn woorden en illustraties gekozen en wat is de bredere context (wie, waar, wanneer)? Een steekproef is representatief als de opbouw overeenkomt met die van de populatie, bijvoorbeeld naar leeftijd, sekse en opleiding. Veelgemaakte fout: de criteria door elkaar halen of alleen schrijven dat een bron wel of niet goed is.
Dertig leerlingen van één school bepalen een landelijke conclusie. Wat ontbreekt?
Objectiviteit van de vraagsteller
Representativiteit van de steekproef
Een controlegroep bij het experiment
Een bevestiging door de media
Goed: de steekproef weerspiegelt de populatie (alle jongeren in Nederland) niet. Wie objectiviteit kiest, verwart de kwaliteit van de bron met de samenstelling van de groep.
Noem twee vragen waarmee je de objectiviteit van een bron beoordeelt.
Goed antwoord: twee van deze drie: wat is het doel van het geschrevene, hoe zijn woorden en illustraties gekozen, wat is de bredere context (waar, wanneer en door wie is de informatie tot stand gekomen). Ook goed: worden hoor en wederhoor toegepast en zijn feiten en commentaar gescheiden. Verwachte fout: noemen of de bron 'waar' lijkt.
VORMING · SOCIALISATIE
Vraagtype 4: identiteit analyseren
Je moet bepalen om welke identiteit het gaat: persoonlijk, sociaal of (extern) collectief.
Vraag je af: wie kijkt er? Jijzelf, jij als lid van een groep, of buitenstaanders?
Onderbouw met een woord of zin uit de casus.
Syllabus 4.3: onderscheid tussen persoonlijke, sociale en collectieve identiteit; voor havo alleen de externe collectieve identiteit. Veelgemaakte fout: sociale identiteit en collectieve identiteit verwarren. Bij sociale identiteit kijkt het individu naar zichzelf als groepslid, bij collectieve identiteit kijken buitenstaanders naar de groep.
Buren noemen alle jongeren in de wijk hangjongeren. Welke identiteit is dit?
Een persoonlijke identiteit
Een sociale identiteit
Een externe collectieve identiteit
Een eigen subcultuur
Goed: buitenstaanders plakken een label op de hele groep. Wie sociale identiteit kiest, denkt dat de jongeren zichzelf zo noemen; dan zou het hun eigen beeld als groepslid zijn.
Sara ziet zichzelf als Utrechter en als voetbalster. Welke identiteit is dit?
Goed antwoord: sociale identiteit, want Sara ziet zichzelf als lid van groepen (inwoners van Utrecht, voetbalsters). Ook goed: ze heeft meerdere, overlappende identiteiten tegelijk. Verwachte fout: persoonlijke identiteit, omdat het over haar zelf gaat. Dat is het antwoord op wie ben ik, niet als lid van een groep.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Een concept toepassen op een casus
Ongelijkheid verklaren met kapitaal
Een bron beoordelen
Identiteit analyseren
Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen eerst en laat een leerling de vier stappen voordoen.
VORMING · SOCIALISATIE
Tips voor op het examen
Schrijf nooit alleen de definitie op: koppel het concept altijd aan een gegeven uit de casus of bron.
Gebruik de naam van het concept letterlijk en leg uit waarom het past.
Bij een bronvraag: noem het criterium (objectief, betrouwbaar of representatief) en het bewijs uit de bron.
Lees de vraag twee keer: moet je een begrip noemen of toepassen?
This item has no instructions