VORMING · SOCIALISATIE
Examentraining
Socialisatie en identiteit: zo pak je examenvragen aan
VORMING · SOCIALISATIE
Examentraining
Socialisatie en identiteit: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Oscar del Pozo / Europese Commissie, Audiovisual Service / Wikimedia Commons, CC BY 4.0
VORMING · SOCIALISATIE
Wat ga je kunnen?
Ik kan concepten toepassen op een nieuwe casus, verbanden leggen, identiteiten analyseren en een bron of onderzoek beoordelen.
This item has no instructions
VORMING · SOCIALISATIE
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat vraagt de vraag: noem, leg uit, verklaar, beoordeel of leg een verband?
2. Zoek: welk concept of welke eigenschap zit in de casus of bron? Onderstreep de aanwijzing.
3. Maak concreet: haal een gegeven uit de casus en koppel het aan de omschrijving van het concept.
4. Schrijf: concept, aanwijzing uit de casus, conclusie. Alleen een definitie is te weinig.
This item has no instructions
VORMING · SOCIALISATIE
Vraagtype 1: een concept toepassen
Je krijgt een korte casus in een nieuwe context en moet een kernconcept herkennen.
Reproduceren is niet genoeg: maak het concept concreet in de casus (recontextualiseren).
Schrijf: het concept, de aanwijzing uit de casus, de koppeling.
Syllabus A2: in het centraal examen worden hoofd- en kernconcepten toegepast op bekende en nieuwe contexten. Veelgemaakte fout: de definitie opschrijven zonder naar de casus te verwijzen.
Mila (23) leert als stagiaire in Tokio groeten met een buiging. Welk begrip past?
Enculturatie
Primaire socialisatie
Tertiaire socialisatie
Acculturatie
Syllabus 4.1: Mila is al in een andere cultuur gevormd en verwerft elementen van een andere cultuur: acculturatie. Verwachte fout: enculturatie, omdat het om aanleren van gebruiken gaat; maar dat is de cultuur waarin je geboren wordt.
Tessa leert van streamers: welk niveau?
Goed antwoord: tertiaire socialisatie, want de streamers zijn anonieme socialisatoren in de media met wie Tessa geen directe band heeft; de overdracht is impliciet. Verwachte fout: primaire socialisatie noemen omdat Tessa veel tijd met de streamers doorbrengt.
VORMING · SOCIALISATIE
Vraagtype 2: verbanden leggen
Je legt een verband tussen concepten: kapitaal, socialisatie en sociale ongelijkheid.
Ga na: wie geeft welk kapitaal door, via welke socialisator en met welk gevolg?
Eindig met het gevolg, bijvoorbeeld sociaal overgeërfde opleidingsverschillen.
Syllabus A2 (verbanden leggen) en 4.1: kapitaal speelt een rol tijdens de socialisatie en leidt tot duurzame verschillen tussen sociale klassen. Veelgemaakte fout: alleen het begrip noemen zonder de keten uit te leggen.
Ouders nemen hun kind vaak mee naar musea. Wat verwerft het kind daardoor?
Economisch kapitaal in de vorm van een hoger inkomen
Sociaal kapitaal in de vorm van een groot netwerk
Een externe collectieve identiteit van buitenstaanders
Cultureel kapitaal, dat bij hoge sociale posities past
Syllabus 4.1: kennis, houdingen en smaak zijn cultureel kapitaal. Verwachte fout: sociaal kapitaal kiezen omdat de ouders erbij zijn; maar het gaat om kennis en smaak.
Hoe houdt kapitaal sociale klassen in stand?
Goed antwoord: ouders geven economisch, sociaal en cultureel kapitaal door via socialisatie; kinderen krijgen daardoor verschillende kansen in opleiding, die deels sociaal wordt overgeërfd; zo ontstaan duurzame verschillen tussen klassen. Verwachte fout: alleen noemen dat rijke ouders meer geld hebben.
VORMING · SOCIALISATIE
Vraagtype 3: identiteit analyseren
Bepaal welke identiteit het is: persoonlijk, sociaal, intern of extern collectief.
Vraag je af: wie kijkt er? Jijzelf, jij als lid van een groep, de groep zelf of buitenstaanders?
Zoek ook naar spanning: botst een beeld van buiten met zelfbeeld, of botsen groepen?
Syllabus 4.3: onderscheid tussen persoonlijke, sociale en collectieve identiteit (intern en extern) en de spanningen daartussen. Veelgemaakte fout: een extern label zien als de identiteit van elk lid.
Rik, Rotterdammer, is zachtaardig. Collega's noemen Rotterdammers ruw. Wat speelt?
Spanning tussen primaire en secundaire socialisatie
Externe collectieve identiteit botst met persoonlijke
Loyaliteitsconflict tussen twee groepen van Rik
Spanning tussen enculturatie en acculturatie
Syllabus 4.3: tussen externe collectieve identiteit en persoonlijke identiteit kunnen spanningen bestaan als iemand zich niet identificeert met het beeld van anderen. Verwachte fout: loyaliteitsconflict; dat gaat over botsende groepslidmaatschappen, hier gaat het om een label van buiten.
Team en gezin eisen Dana op. Welk conflict?
Goed antwoord: een loyaliteitsconflict, want Dana is lid van meerdere groepen (team en gezin) die allebei een beroep op haar doen en haar overlappende identiteiten botsen. Verwachte fout: spanning met een externe collectieve identiteit noemen; er is geen label van buitenstaanders.
VORMING · SOCIALISATIE
Vraagtype 4: een bron beoordelen
Bron: objectief (feiten, geen meningen), betrouwbaar (gedegen, controleerbaar, bevestigd) en representatief.
Onderzoek: betrouwbaar (kleine meetfouten), intern valide (meet wat het moet meten), extern valide (generaliseerbaar).
Een steekproef is representatief als iedereen uit de populatie evenveel kans had om mee te doen.
Let op procent en procentpunt: van 20 naar 30 procent is 10 procentpunten, maar 50 procent meer.
Syllabus A1 en A3.1/A3.3: objectiviteit, betrouwbaarheid en representativiteit van bronnen; betrouwbaarheid, interne en externe validiteit van onderzoek; het verschil tussen procenten en procentpunten (een toename van 20 procent is iets anders dan 20 procentpunten). Veelgemaakte fout: percentages en procentpunten door elkaar halen, of alleen zeggen dat een bron 'niet waar' lijkt.
Het aandeel leerlingen met een eigen kanaal steeg van 20 naar 30 procent. Wat klopt?
Een stijging van 10 procent, dat is 10 procentpunten meer
Een stijging van 50 procentpunten, dat is 10 procent meer
Een stijging van 10 procentpunten, dat is 50 procent meer
Een stijging van 30 procentpunten, dat is 20 procent meer
Syllabus A3.3: het verschil is 10 procentpunten; 10 is de helft van 20, dus 50 procent meer. Verwachte fout: procent en procentpunt omwisselen.
Blog zonder bronnen: welk criterium faalt?
Goed antwoord: betrouwbaarheid, want de informatie is niet controleerbaar (geen kwaliteitscontrole, onduidelijk waarop ze berust) en niet door andere bronnen bevestigd. Verwachte fout: representativiteit noemen zonder uit te leggen waarom, of zeggen dat de bron 'niet waar' is.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Een concept toepassen
Verbanden leggen
Identiteit analyseren
Een bron beoordelen
Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen eerst en laat een leerling de vier stappen voordoen.
VORMING · SOCIALISATIE
Tips voor op het examen
Schrijf nooit alleen de definitie op: koppel het concept altijd aan een gegeven uit de casus.
Gebruik de naam van het concept letterlijk en leg uit waarom het past.
Bij identiteit: vraag je af wie er kijkt, jijzelf, jij als lid, de groep zelf of buitenstaanders.
Procent is niet procentpunt: reken eerst het verschil uit en vergelijk het dan met het beginpercentage.
This item has no instructions