Socialisatie en identiteit (Maatschappijwetenschappen vwo), les 1: Uitleg

VORMING · SOCIALISATIE

Socialisatie en identiteit

Examenstof maatschappijwetenschappen vwo

1 / 23
next
Slide 1: Slide
New lesson editorMaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Uitleg over socialisatie en cultuur, enculturatie en acculturatie, kapitaal en sociale ongelijkheid, primaire, secundaire en tertiaire socialisatie en de vorming van persoonlijke, sociale en collectieve identiteit, voor het vwo-examen maatschappijwetenschappen (B1, 4.1 tot en met 4.3).

Items in this lesson

VORMING · SOCIALISATIE

Socialisatie en identiteit

Examenstof maatschappijwetenschappen vwo

Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: B1 (4.1-4.3). Image credit: Oscar del Pozo / Europese Commissie, Audiovisual Service / Wikimedia Commons, CC BY 4.0

VORMING · SOCIALISATIE

Wat ga je kunnen?

Ik kan uitleggen hoe socialisatie werkt, hoe kapitaal en niveaus van socialisatie doorwerken en hoe persoonlijke, sociale en collectieve identiteit zich vormen.

This item has no instructions

Wie of wat heeft jou geleerd wat normaal is, en wie ben jij daardoor?

Laat leerlingen woorden inbrengen. Verwachte woorden: ouders, school, vrienden, regels, tafelmanieren, tv, sociale media, influencers, sportclub, wij-gevoel, gender. Groepeer ze in socialisatoren en wat je leert. Blok 1 gaat over wat socialisatie is en doet, blok 2 over enculturatie, kapitaal en de drie niveaus, blok 3 over de identiteit die daaruit volgt.

Een moeder leest thuis voor aan haar twee kinderen (Madrid)

VORMING · SOCIALISATIE

Socialisatie en cultuur

  • Socialisatie: overdracht en verwerving van de cultuur van de groepen en de samenleving waar je bij hoort.

  • Het bestaat uit opvoeding, opleiding en andere vormen van omgang met anderen.

  • Cultuur: voorstellingen, uitdrukkingsvormen, opvattingen, waarden en normen van een groep of samenleving.

  • Culturen zijn tijd- en plaatsgebonden en dus dynamisch.

Syllabus 4.1: socialisatie is het proces van overdracht en verwerving van de cultuur van de groep(en) en de samenleving waar mensen toe behoren. Een cultuur is het geheel van voorstellingen, uitdrukkingsvormen, opvattingen, waarden en normen die mensen als lid van een groep of de samenleving hebben verworven. Culturen veranderen onder invloed van gewijzigde omstandigheden (politiek, economie), uitwisseling met mensen buiten de groep of een andere samenstelling van de groep, en dat werkt weer door in de socialisatie van de volgende generatie. Veelgemaakte fout: socialisatie gelijkstellen aan opvoeding door ouders. Ook opleiding en andere omgang met anderen horen erbij. Image credit: Oscar del Pozo / Europese Commissie, Audiovisual Service / Wikimedia Commons, CC BY 4.0

Eerste schooldag op een basisschool in Amsterdam, 1986

VORMING · SOCIALISATIE

Overdracht, verwerving, internaliseren

  • Vanuit de samenleving: cultuuroverdracht. Vanuit het individu: cultuurverwerving.

  • Je neemt de cultuur over van socialisatoren om je heen, na een lange periode van onvolwassenheid.

  • Soms bewust (scholing), vaak vanzelf via identificatie: je neemt over van wie je lijkt of wilt lijken.

  • Wat je internaliseert, ervaar je als 'tweede natuur', zoals omgangsvormen.

Syllabus 4.1: door het overnemen en eigen maken vindt, vanuit de samenleving gezien, cultuuroverdracht plaats; vanuit het individu gezien is socialisatie cultuurverwerving, waarin iemand zich ook positioneert ten opzichte van de cultuur. Mensen verschillen van dieren door de lange periode van onvolwassenheid. Socialisatie verloopt vaak via identificatie: het perspectief en gedrag overnemen van iemand op wie je meent te lijken of wilt lijken. Wat mensen internaliseren ervaren ze als tweede natuur. Veelgemaakte fout: overdracht en verwerving omwisselen. Overdracht kijkt vanuit de samenleving, verwerving vanuit het individu. Image credit: Bart Molendijk / Anefo, Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC0

VORMING · SOCIALISATIE

Functies, nature/nurture, stereotypen

  • Functies: continuering en verandering van een (sub)cultuur, identificatie, identiteitsontwikkeling en gedragsregulatie.

  • Niet iedereen in een cultuur doet hetzelfde: socialisatie verloopt anders voor vrouwen en mannen, voor arm en rijk.

  • Er kunnen tegenstrijdige waarden worden overgedragen: kinderen leren gehoorzamen én kritisch nadenken.

  • Nature (erfelijke aanleg) en nurture (opvoeding en omgeving): geen tegenstelling, maar een complexe wisselwerking.

  • Je krijgt ook stereotypen en vooroordelen mee: aangeleerde beelden die leiden tot snelle, soms onjuiste oordelen.

Syllabus 4.1: functies van socialisatie zijn continuering van een (sub)cultuur, verandering van een (sub)cultuur, identificatie van het individu met anderen en besef van groepslidmaatschap, identiteitsontwikkeling en gedragsregulatie (gedrag wordt voorspelbaarder en het samenleven overzichtelijker). Omdat individuen deels zelf kiezen uit het aanbod van cultuurelementen, draagt socialisatie ook bij aan cultuurverandering. De nature-nurturediscussie wordt door de meeste wetenschappers als achterhaald gezien: erfelijke aanleg, algemeen menselijke biologie, directe omgevingsfactoren en culturele factoren werken complex samen. Stereotypen en vooroordelen zijn cultureel aangeleerde beelden, generalisaties en veronderstellingen over groepen. Veelgemaakte fout: denken dat socialisatie alleen de bestaande cultuur in stand houdt.

Video: Kernconcepten socialisatie, politieke socialisatie, acculturatie bij maatschappijwetenschappen (Seneca Burgerschap). Korte video (ruim anderhalve minuut) van Seneca Burgerschap uit 2018 over socialisatie, politieke socialisatie en acculturatie. Politieke socialisatie komt in een andere les aan bod. Kijkvraag: welk voorbeeld van socialisatie of acculturatie wordt genoemd en hoe verklaar je dat met de begrippen uit blok 1? Leg de definities uit de video naast die van de dia's.

Jongeren geven een oud feest een eigen draai. Welke functie speelt hier?

A

Continuering van een cultuur

B

Verandering van een cultuur

C

Gedragsregulatie van het individu

D

Identificatie van het individu met een groep

Syllabus 4.1: socialisatie draagt ook bij aan cultuurverandering doordat nieuwe generaties deels eigen keuzes maken. Verwachte fout: continuering kiezen omdat het feest blijft bestaan; maar de gewoonte verandert juist.

Vul in

Wie normen internaliseert ervaart ze als tweede natuur. Dat zorgt voor gedragsregulatie, want gedrag wordt beter voorspelbaar.

internaliseert
tweede natuur
gedragsregulatie
identificatie
enculturatie

Syllabus 4.1: internaliseren, tweede natuur en gedragsregulatie. Verwachte fout: identificatie invullen; dat is het overnemen van gedrag van iemand op wie je lijkt, niet het vanzelfsprekend worden van normen.

Feestdag met folkloristische dans voor Turkse gastarbeiders, Vondelpark, Amsterdam, 1969

VORMING · SOCIALISATIE

Enculturatie en acculturatie

  • Enculturatie: het aanleren en verwerven van de (sub)cultuur van de samenleving waarin je geboren wordt.

  • Acculturatie: een andere cultuur of elementen daaruit aanleren dan die waarin je bent opgegroeid.

  • Je bent dan al in een andere cultuur gevormd, zoals nieuwkomers of volwassenen met een nieuwe levensbeschouwing.

  • Beide zijn vormen van socialisatie.

Syllabus 4.1: er wordt onderscheid gemaakt tussen twee specifieke vormen van socialisatie. Enculturatie is het aanleren en verwerven van de (sub)cultuur van de samenleving waarin men geboren wordt. Acculturatie is het aanleren en verwerven van een andere cultuur of elementen daaruit dan die waarin iemand is opgegroeid; het gaat om individuen die al in een andere cultuur zijn gevormd, zoals buitenlanders die zich in Nederland vestigen en volwassenen die een geheel nieuwe levensbeschouwing overnemen. De foto uit 1969 toont Turkse gastarbeiders die hun eigen cultuur meebrengen. Vraag: welke elementen van de Nederlandse cultuur zouden zij erbij kunnen leren? Veelgemaakte fout: acculturatie zien als het kwijtraken van de eigen cultuur. Het gaat om erbij leren. Image credit: Jac. de Nijs / Anefo, Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC0

VORMING · SOCIALISATIE

Milieu, kapitaal en ongelijkheid

  • Socialisatie is sterk milieuafhankelijk: de verschillen die ontstaan, leiden ook tot sociale ongelijkheid.

  • Economisch kapitaal: (financieel) bezit of een hoog inkomen.

  • Sociaal kapitaal: connecties, netwerken en de mate van respect die mensen genieten.

  • Cultureel kapitaal: kennis, houdingen, opvattingen en smaak die kenmerkend zijn voor hoge sociale posities.

  • Opleidingsverschillen worden deels 'sociaal overgeërfd' via ouders en leeftijdgenoten: duurzame verschillen tussen sociale klassen.

Syllabus 4.1: het verloop van socialisatie is sterk milieuafhankelijk en sommige mensen hebben meer economisch, sociaal en cultureel kapitaal dan anderen. Al deze vormen spelen een rol tijdens de socialisatie, bijvoorbeeld van ouders op kinderen en via formele scholing. Kinderen van hooggeschoolden leren gemiddeld langer door; het verschil in opleiding en keuze van opleidingen wordt deels sociaal overgeërfd, overgebracht door belangrijke anderen in de nabije omgeving. Zulke overdraagbare verschillen leiden tot duurzame verschillen tussen sociale klassen. Veelgemaakte fout: kapitaal alleen als geld opvatten. Laat leerlingen voor elke vorm een eigen voorbeeld bedenken.

Een meisje kijkt op een smartphone

VORMING · SOCIALISATIE

Drie niveaus van socialisatie

  • Primair: informeel, in kleine groepen met directe persoonlijke relaties (gezin, peergroup): de 'sociale huid'.

  • Secundair: in formele organisaties zoals school en werk, met collectieve rituelen: de 'sociale kleren'.

  • Tertiair: impliciet, via anonieme socialisatoren zoals media, literatuur, rolmodellen en machthebbers.

  • De grens vervaagt: kinderopvang, langer naar school en interactieve sociale media.

Syllabus 4.2: socialisatie duurt een leven lang en is het meest intensief in kindertijd en jeugd. Het ideaaltypische onderscheid tussen drie niveaus: primair (kleine groepen, directe persoonlijke relaties, informeel en vanzelfsprekend, tweede natuur of sociale huid), secundair (formele organisaties en instituties zoals school, buurt, werk, vereniging; mensen kunnen hun gedrag aanpassen en wisselen, sociale kleren; collectieve rituelen zoals een diploma-uitreiking versterken gemeenschapsgevoel en groepsidentiteit) en tertiair (impliciete overdracht door anonieme socialisatoren zonder directe band; het belang van media is snel toegenomen). Het onderscheid wordt steeds lastiger: primaire socialisatie vindt ook plaats in formele instanties zoals kinderopvang, school krijgt steeds meer trekken van primaire socialisatie en door interactieve sociale media is het lastig onderscheid te maken tussen anonieme en bekende socialisatoren. Veelgemaakte fout: primair gelijkstellen aan thuis en tertiair aan alles buiten het gezin. Het criterium is de aard van de relatie en de mate van formaliteit. Image credit: Bicanski / Pixnio via Wikimedia Commons, CC0

Noor leert op haar bijbaan hoe ze zich bij klanten hoort te gedragen. Welk niveau?

A

Primaire socialisatie in de directe omgeving

B

Tertiaire socialisatie via anonieme socialisatoren

C

Acculturatie door een andere cultuur

D

Secundaire socialisatie in een formele organisatie

Syllabus 4.2: werk is een formele organisatie en daar leer je gedrag aanpassen aan de gelegenheid (sociale kleren). Verwachte fout: primair kiezen omdat het persoonlijk contact is; maar de context is formeel.

Vul in

Wie veel connecties en respect heeft, bezit veel sociaal kapitaal. Smaak en kennis die bij hoge posities horen, heten cultureel kapitaal, en bezit of inkomen is economisch kapitaal.

sociaal
cultureel
economisch
symbolisch
politiek

Syllabus 4.1: de drie vormen van kapitaal. Verwachte fout: sociaal en cultureel omwisselen.

VORMING · SOCIALISATIE

Wat is identiteit?

  • Identiteit: het beeld dat iemand van zichzelf heeft, uitdraagt en als kenmerkend en blijvend beschouwt.

  • Het is afgeleid van de groepen waar je wel of juist ook niet bij hoort.

  • Het ontstaat tijdens de socialisatie, in interactie met mensen en met anonieme socialisatoren zoals media.

  • Identiteit is het kruispunt van zelfbeeld en groepsbinding.

  • Voorbeeld gender: je besef van jezelf als vrouw, man of, minder vaak, geen van beide geeft zelfbeeld en groepslidmaatschap.

Syllabus 4.3: identiteit is het beeld dat iemand van zichzelf heeft, dat hij uitdraagt en anderen voorhoudt en dat hij als kenmerkend en blijvend beschouwt voor zijn eigen persoon en dat is afgeleid van zijn perceptie over de groep(en) waar hij wel of juist ook niet deel van uitmaakt. Identiteit wordt gevormd tijdens de socialisatie en is het resultaat van interactie met anderen of met anonieme socialisatoren zoals media. Het beeld van jezelf wordt bepaald door de groepen en sociale categorieën waartoe je behoort en waartoe je jezelf vindt behoren. Gender is het voorbeeld in de syllabus: het gevoel van groepslidmaatschap stimuleert identificatie, waardoor mensen zich 'vrouwelijk' of 'mannelijk' leren gedragen. Veelgemaakte fout: identiteit zien als iets wat je alleen zelf bepaalt. De groepen om je heen bepalen mee.

Kinderen in oranje kleding op Koningsdag in Maastricht, 2022

VORMING · SOCIALISATIE

Persoonlijk, sociaal en collectief

  • Persoonlijke identiteit: het beeld van jezelf, het antwoord op 'wie ben ik?'.

  • Sociale identiteit: het beeld van jezelf als lid van groepen en categorieën, bijvoorbeeld jongere of Sparta-fan.

  • Interne collectieve identiteit: het gezamenlijke zelfbeeld en wij-gevoel van een groep, met een wij-zij-gevoel.

  • Externe collectieve identiteit: een zij-beeld van een groep, breed gedeeld door buitenstaanders.

Syllabus 4.3: persoonlijke identiteit (wie ben ik, sterk bepaald door de manier waarop belangrijke anderen zich tegenover je gedragen), sociale identiteit (jezelf als lid van sociale groepen en categorieën, zoals vrouw, Rotterdammer, Europeaan, jongere en Sparta-fan; die identiteiten sluiten elkaar niet uit en stellen anderen in staat je sociaal te plaatsen) en collectieve of groepsidentiteit, met intern en extern. Interne collectieve identiteit is het gezamenlijke zelfbeeld en wij-gevoel van meerdere mensen, gebaseerd op affectieve bindingen en zichtbaar in saamhorigheid, solidariteit en een wij-zijgevoel; ze kan licht en snel veranderend zijn, maar ook diepgeworteld en onveranderlijk. Externe collectieve identiteit is een zij-beeld dat breed wordt onderschreven door niet-leden. Vraag bij de foto uit 2022: welke sociale identiteit en welk wij-gevoel zie je? Veelgemaakte fout: sociale en collectieve identiteit verwarren. Sociaal is jouw beeld van jezelf als lid; collectief is het beeld van de groep als geheel, van binnen (intern) of van buiten (extern). Image credit: Camiel Wolfs / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Jongeren bij de stenen leeuwen op de Dam in Amsterdam, 1969

VORMING · SOCIALISATIE

Spanning, stigma en ongelijkheid

  • In moderne samenlevingen verschuift het accent van sociale naar persoonlijke identiteit.

  • Een externe collectieve identiteit kan botsen met hoe je jezelf ziet.

  • Iedereen heeft meerdere, overlappende identiteiten; die kunnen botsen in een loyaliteitsconflict.

  • Externe labels zijn vaak negatief en stigmatiserend en kunnen sociale ongelijkheid versterken.

Syllabus 4.3: in moderne samenlevingen is het accent verschoven van sociale naar persoonlijke identiteit; ieder individu moet zijn eigen wil, voorkeur en persoonlijkheid ontdekken en ook sociale identiteiten moeten zo persoonlijk en authentiek mogelijk vorm krijgen. Tussen externe collectieve identiteit en persoonlijke identiteit kunnen spanningen bestaan, bijvoorbeeld als iemand zich niet identificeert met de collectieve identiteit waarmee die persoon door anderen wordt vereenzelvigd. Lidmaatschap van verschillende groepen kan leiden tot loyaliteitsconflicten. Externe collectieve identiteiten zijn meestal negatief en stigmatiserend en ontstaan vaak als bijeffect van sterke wij-gevoelens: mensen zoeken een outgroup om zich tegen af te zetten. Ze hebben effect op de sociaaleconomische, sociaal-culturele en politieke positie van de gelabelde en kunnen zo sociale ongelijkheid versterken en in stand houden. De foto uit 1969 toont jongeren die rondhangen; vraag: welk label wordt vandaag op groepen jongeren geplakt, en wat doet dat met hen? Veelgemaakte fout: denken dat iedereen in een gelabelde groep hetzelfde denkt. Image credit: Anefo, Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC0

Een supportersvak voelt één en zet zich af tegen de tegenpartij. Welk begrip past?

A

Externe collectieve identiteit

B

Persoonlijke identiteit

C

Cultureel kapitaal

D

Interne collectieve identiteit

Syllabus 4.3: het gezamenlijke zelfbeeld en wij-zijgevoel van een groep is een interne collectieve identiteit. Verwachte fout: externe kiezen omdat er een afbakening is; maar dat is het beeld van buitenstaanders.

Noem een gevolg van een stigmatiserend label.

Goed antwoord: het label heeft effect op de sociaaleconomische, sociaal-culturele of politieke positie van de gelabelde, bijvoorbeeld minder kans op een baan of stage, en zo versterkt het sociale ongelijkheid. Verwachte fout: alleen zeggen dat het vervelend voelt; dat noemt geen maatschappelijk gevolg.

Wat vond je vandaag het lastigst?

1

Primair, secundair en tertiair

2

Kapitaal en sociale ongelijkheid

3

Interne en externe collectieve identiteit

4

Enculturatie en acculturatie

Begin les 2 bij het onderdeel met de meeste stemmen.

Noem twee groepen waar je bij hoort.

Goed antwoord: twee groepen (bijvoorbeeld klas, sportclub, stad, vriendengroep) met een eigenschap of waarde die je daaraan ontleent: dat is sociale identiteit die bijdraagt aan persoonlijke identiteit. Verwachte fout: alleen eigenschappen noemen zonder groepen.

VORMING · SOCIALISATIE

Begrippen (1/2)

  • socialisatie: overdracht en verwerving van de cultuur van de groepen en de samenleving waar je bij hoort

  • enculturatie: de (sub)cultuur verwerven van de samenleving waarin je geboren wordt

  • acculturatie: een andere cultuur of elementen daaruit verwerven dan waarin je bent opgegroeid

  • kapitaal: economisch (bezit, inkomen), sociaal (connecties, respect) en cultureel (kennis, smaak van hoge posities)

  • primaire socialisatie: informeel in kleine groepen met directe persoonlijke relaties, zoals gezin en peergroup

This item has no instructions

VORMING · SOCIALISATIE

Begrippen (2/2)

  • secundaire socialisatie: gedrag leren in formele organisaties en instituties, zoals school en werk

  • tertiaire socialisatie: impliciete overdracht door anonieme socialisatoren, zoals media en rolmodellen

  • identiteit: het beeld dat je van jezelf hebt, afgeleid van de groepen waar je wel of niet bij hoort

  • interne collectieve identiteit: het gezamenlijke zelfbeeld en wij-gevoel van een groep

  • externe collectieve identiteit: een zij-beeld van een groep dat breed wordt onderschreven door buitenstaanders

This item has no instructions