Thema 1 les 1.14

Thema 1 les 1.14

Learning objective

1 / 15
next
Slide 1: Slide
New lesson editorTaalMiddelbare schoolISKvmbo lwooLeerjaar 4

This lesson contains 15 slides, with text slides.

Items in this lesson

Thema 1 les 1.14

Learning objective

Boos

Als je niet blij bent.

Gemeen/agressief doen.

Voorbeeldzin:

Meneer Jari is vandaag niet boos.

De gast

Persoon die je uitnodigt.

Degene die bij iemand anders is (bijv in een restaurant of hotel)

Voorbeeldzin:

De gast was niet blij met het eten.

MV: De gasten

Het gesprek

Twee (of meer) mensen die met elkaar praten.

Voorbeeldzin:

Hamdan en Ahmad zijn in gesprek over het

weer.

MV: De gesprekken

hard

hard <=> zacht

hard = snel

Voorbeeldzin:

De koekjes zijn hard.

Bijv nmw: harde

Voorbeeldzin:

De leerlingen werken heel erg hard.

last hebben van

Iets heel erg vervelend vinden.

Je storen aan iets...

Pijn hebben aan....

Voorbeeldzin:

Ik heb last van mijn buik.

WW:

Ik heb last van

jij hebt last van

hij/zij heeft last van

hun hebben last van

De leeftijd

Hoe oud je bent....

MV: de leeftijden

Voorbeeldzin:

De leeftijd voor het drinken van bier is 18 jaar.

vieren

Feest geven.

WW:

Ik vier

jij viert

zij vieren

Voorbeeldzin:

Ik vier mijn verjaardag 26 juli.

moe

Geen energie hebben. Willen slapen.

Voorbeeldzin:

Ik werk 20 uur dus ik ben moe.

overmorgen

De dag na morgen.

Voorbeeldzin:

Vandaag is het maandag, overmorgen is het woensdag.

Stil

Geen geluid maken

Voorbeeldzin:

De klas is al de hele dag stil.

De uitnodiging

Vragen of iemand bij jou langs komt.

Een bericht sturen om te vragen of iemand langs komt.

Voorbeeldzin:

Ik stuur hem een uitnodiging om bij mij te komen eten.

MV: De uitnodigingen

De verjaardag

De dag dat je jarig bent.

Voorbeeldzin:

Vandaag is mijn verjaardag.

MV: De verjaardagen

zachter

Minder hard, minder snel,

Voorbeeldzin:

Deze wol is zachter.


Je moet zachter praten, ik heb last van het lawaai,

Passen op

Opletten, goed kijken, uitkijken.


Letten op iemand anders zijn kind(eren)

Voorbeeldzin:

Als je gaat bergklimmen moet je goed oppassen.


Donderdag ga ik op mijn neefje passen.