This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.
Lesson duration is: 45 min
Report this lesson
Items in this lesson
H10.2 Zwaartekracht en druk
Slide 1 - Slide
Leerdoelen
Hoe je de zwaartekracht berekent en tekent.
Wat is druk?
Hoe kun je de druk berekenen?
Hoe je voorkomt dat voorwerpen wegzakken in de grond.
Slide 2 - Slide
Zwaartekracht Fz
Kracht waarmee de aarde aan een voorwerp trekt.
Fz = m x g
g is op aarde 9,8 N/kg maar wij rekenen meestal met 10 N/kg
b.v. Een voorwerp heeft een massa van 36 kg.
De zwaartekracht is dan 36 x 10 = 360 N.
Slide 3 - Slide
Slide 4 - Slide
Slide 5 - Slide
Wat weet je nog over de druk?
Slide 6 - Mind map
DRUK
Druk is de kracht die een
voorwerp op een bepaald
oppervlak uitoefent.
Slide 7 - Slide
Verschil tussen kracht en druk?
Een kracht oefen je uit op een voorwerp. De kracht wordt uitgedrukt in Newton.
Druk is de kracht die een voorwerp uitoefent op een oppervlakte.
Slide 8 - Slide
Slide 9 - Slide
Slide 10 - Slide
Slide 11 - Slide
Zwaartekracht berekenen:
Om de zwaartekracht op een voorwerp te berekenen gebruik je de formule
g = 10 N/kg
Fg=m⋅g
Slide 12 - Slide
Formule voor druk
p=AF
P
P = Druk<div>Eenheid = Pascal</div>
F
F = Kracht<div>Eenheid = Newton</div>
A
A = Oppervlakte<div>Eenheid = m<sup>2</sup></div>
Slide 13 - Slide
Slide 14 - Slide
Druk in de praktijk:
de naaldhakken van Angelina Jolie en een olifantenpoot
Slide 15 - Slide
Slide 16 - Slide
Slide 17 - Slide
Slide 18 - Slide
Wat is de eenheid van kracht?
A
Newton
B
Kilogram
C
Newton per vierkante meter
D
Watt
Slide 19 - Quiz
Wat is de eenheid van druk?
A
Newton
B
Kilogram
C
Newton per vierkante meter
D
Watt
Slide 20 - Quiz
Hoe bereken je de druk
A
oppervlakte x massa
B
oppervlakte x kracht
C
massa : oppervlakte
D
kracht : oppervlakte
Slide 21 - Quiz
Bereken de druk. Een voorwerp heeft een massa van 12 kg en staat op een ondersteunend vlak van 0,6 m2
A
2 N/m2
B
20 N/m2
C
200 N/m2
D
2000 N/m2
Slide 22 - Quiz
Een vrachtwagen moet door een modderig terrein om de lading te lossen. Hoe kan de chauffeur er voor zorgen dat de banden minder diep in de modder komen te zitten?
A
De banden verbreden
B
De banden versmallen
C
Minder banden
D
kleinere banden
Slide 23 - Quiz
Waarom zak je minder in de sneeuw met ski's?
A
Je zwaartekracht wordt minder
B
Je zwaartekracht wordt meer
C
Je oppervlak met de sneeuw wordt kleiner
D
Je oppervlak met de sneeuw wordt groter
Slide 24 - Quiz
Een punaise heeft een punt met een oppervlakte van 1 mm2. De dikke kant van de punaise is 100 mm2. Je duwt met een kracht van 50 N op de punaise. Wat is de kracht van de punaisepunt op het prikbord?
A
50 N
B
5000 N
C
0,5 N
D
50000 N
Slide 25 - Quiz
Bereken de druk van een dame van 70 kg die op naaldhakken loopt en met 1 hak op de grond staat. De naaldhak heeft een oppervlakte van 1 cm2