Les 1.2

Programma 
  • Doelen van deze les 
  • Uitleg paragraaf 1.2
  • 10 minuten in stilte aan het werk
  • Aan het werk (keuze) 
  • Afronding van deze les 
1 / 19
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 19 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Programma 
  • Doelen van deze les 
  • Uitleg paragraaf 1.2
  • 10 minuten in stilte aan het werk
  • Aan het werk (keuze) 
  • Afronding van deze les 

Slide 1 - Slide

Doelen van deze les 
  • Je weet dat we inkomsten verdelen in drie categorieën: inkomen uit arbeid, bezit en overdrachtsinkomen.
  • Je weet dat we uitgaven verdelen in drie categorieën: vaste lasten, huishoudelijke uitgaven en incidentele uitgaven. 
  • Je weet wat een begroting is en wat het nut hiervan is.  
  • Je kunt rekenen met weken, maanden en jaren
  • Je weet wat we een budgetlijn is en hoe je die opstelt. 

Slide 2 - Slide

Hoe kun je het middel geld krijgen?

  • Inkomen uit arbeid salaris, eigen ondernemer (winst)
  • Inkomen uit bezit verhuur, rente, dividend ​ 
  • Inkomen uit overdracht zak- en kleedgeld, uitkering. 

Slide 3 - Slide

Het loon verschilt per beroep. Waarom is dit? 

Leeftijd 
Prestaties 
Ervaring
Opleiding 
Zwaarte beroep
Verantwoordelijkheid​ 
De vraag naar bepaalde werknemers

Slide 4 - Slide

Denk aan het vorige rijtje. Wie zal er het meeste geld verdienen (allemaal 10 jaar werkervaring).

A
Docent middelbare school
B
Vuilnisman of -vrouw
C
Directiesecretaris of -secretaresse
D
Oncoloog

Slide 5 - Quiz

Gemiddelde inkomens 
(niet leren)

  • Docent middelbare school                   Gemiddeld 4.000 euro
  • Vuilnisman of -vrouw                              Gemiddeld 2.100 euro
  • Directiesecretaris / -secretaresse    Gemiddeld 2.000 euro
  • Oncoloog                                                       Gemiddeld 4.500 euro

Slide 6 - Slide

Hoe kunnen we uitgaven verdelen?
  • Vaste lasten zijn iedere periode hetzelfde
  • Huishoudelijke uitgaven ook wel dagelijkse uitgaven. Dit zijn uitgaven die je iedere dag kan doen. 
  • Incidentele uitgaven zijn uitgaven die je soms doet en waarvoor je moet sparen

Slide 7 - Slide

Het kopen van een auto valt onder...
A
Vaste lasten
B
Huishoudelijke uitgaven
C
Dagelijkse uitgaven
D
Incidentele uitgaven

Slide 8 - Quiz

Het kopen van een frikandel bij de snackbar valt onder...
A
Vaste lasten
B
Huishoudelijke uitgaven
C
Dagelijkse uitgaven
D
Incidentele uitgaven

Slide 9 - Quiz

Budgetteren
Overzicht maken van de inkomsten en uitgaven die je in een bepaalde periode verwacht
Deze periode is vaak een maand of jaar. 

Slide 10 - Slide

Begroting

Slide 11 - Slide

Rekenen met weken, maanden en jaren
Een jaar bestaat uit 12 maanden en 52 weken. 
Een maand bestaat niet exact uit 4 weken! 

Jaar > maand = jaarbedrag : 12 maanden 
Maand > jaar = maandbedrag x 12 maanden 
maand > week = maandbedrag x 12 maanden : 52 weken 
week > maand = weekbedrag x 52 weken : 12 maanden

Slide 12 - Slide

Piet krijgt 12 euro zakgeld per maand. Hoeveel is dit per week?
A
3 euro
B
144 euro
C
2,77 euro
D
3,02 euro

Slide 13 - Quiz

De jaarbijdrage voor een sport abonnement is 120 euro. Hoeveel is dit per maand?
A
12 euro
B
10 euro
C
2,31 euro
D
12,31 euro

Slide 14 - Quiz

Aan het werk 


De komende 10 minuten gaat iedereen aan het werk met deze opdrachten. Je kunt nu geen vragen stellen of overleggen. 

Maken: opdracht 14 t/m 23
Verplicht: 15 t/m 19 en 21 t/m 23. 

timer
10:00

Slide 15 - Slide

Budgetlijn tekenen 
  • Inkomen 45 euro per maand 
  • Uitgaan 15 euro per avond 
  • Bellen 5 euro per kwartier 

Formule: 45 = 5x + 15y 

Doel budgetlijn: welke keuzes kun je maken met jouw budget? 

Slide 16 - Slide

Keuzewerk


Je kunt aan de slag met de volgende keuzes: 

  • Huiswerk maken: opdracht 14 t/m 23, 
    waarvan verplicht: 15 t/m 19 en 21 t/m 23.
  • Praktische opdracht
  • Maken eigen samenvatting 
  • Eigen keuze: in overleg met Tobias 
timer
10:00

Slide 17 - Slide

Afronding van deze les 
  • Je weet dat we inkomsten verdelen in drie categorieën: inkomen uit arbeid, bezit en overdrachtsinkomen.
  • Je weet dat we uitgaven verdelen in drie categorieën: vaste lasten, huishoudelijke uitgaven en incidentele uitgaven. 
  • Je weet wat een begroting is en wat het nut hiervan is.  
  • Je kunt rekenen met weken, maanden en jaren
  • Je weet wat we een budgetlijn is en hoe je die opstelt. 

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide