Theater maken | Les 5 Personages en doelen

Theater maken | Les 5 
 Personages en doelen

1 / 19
next
Slide 1: Slide
DramaMBOMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 1-3Studiejaar 1

This lesson contains 19 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson

Theater maken | Les 5 
 Personages en doelen

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

OPWARMER | NAMENBAL
Onze afspraken tijdens drama
1. Luister naar elkaar en praat er niet doorheen.
2. Ga voorzichtig om met elkaar en ons materiaal.
3. Blijf bij je groepje en werk samen aan de opdracht.
4. Heb respect voor elkaar.
5. Telefoon in je kluisje.

Hand omhoog? = wees stil en luister naar de uitleg.

Slide 2 - Slide

Bespreek kort de regels van drama.
Tijdens de vorige les heeft elke klas afspraken met elkaar gemaakt. Dit is een samenvatting van alle afspraken.
Wat gaan we doen?
  • Werken met achtergrondverhalen.
  • Personages tot leven brengen met behulp van doelen

Slide 3 - Slide

This item has no instructions


Personages willen altijd iets: Dit is hun doel in de scène.

Doelen zijn altijd concreet en actief.

- Hij is boos op zijn ouders
- Zij is verliefd op de tuinman
Doelen
Wat wil ik en waarom?

Slide 4 - Slide

Begin met het bespreken van situaties die ze zelf hebben meegemaakt, zoals waarom ze bepaalde keuzes hebben gemaakt, wat ze wilden bereiken en waarom ze dat wilden.
Bijvoorbeeld: waarom ze ervoor kozen om te sporten in plaats van thuis te blijven, waarom ze een bepaald vak op school leuk vinden, etc.

Personages willen altijd iets: Dit is hun doel in de scène.

Is dit een goed doel?:
- Hij is boos op zijn ouders
- Zij is verliefd op de tuinman


Doelen

Slide 5 - Slide

This item has no instructions


Personages willen altijd iets: Dit is hun doel in de scène.

Is dit een goed doel?:
- Hij is boos 
- Zij is verliefd 

Doelen zijn altijd actief.
Doelen

Slide 6 - Slide

This item has no instructions


Personages willen altijd iets: Dit is hun doel in de scène.

Doelen zijn altijd actief.
Vraag je altijd af:
Wat wil ik?
- Hij wil zijn ouders verlaten.
- Zij wil de tuinman verleiden.

Doelen

Slide 7 - Slide

This item has no instructions


Personages willen altijd iets: Dit is hun doel in de scène.

Doelen zijn altijd actief.
Vraag je altijd af:
Wat wil ik?
- Hij wil zijn ouders verlaten.
- Zij wil de tuinman verleiden.


Een doel heeft altijd een reden:
Waarom wil ik dit?

Met een goede reden krijgt jouw doel een belang. Jij MOET je doel halen, of anders...

DUS: Hoe kom je aan jouw doel?
"Wat wil ik en waarom?"


Doelen
En wat hangt ervan af als ik mijn doel niet haal?

Slide 8 - Slide

This item has no instructions


Personages willen altijd iets: Dit is hun doel in de scène.

Doelen zijn altijd actief.

Personages hebben altijd een reden waarom zij iets doen:
De waarom

Schrijf jouw DOEL op:
Wat WIL mijn personage?
"Ik wil ......(werkwoord)"


WAAROM wil ik dit?
"Omdat Ik ..... (reden)"

Met een goede reden krijgt jouw doel een belang. Jij MOET je doel halen, of anders...


Doelen
timer
1:00

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

doelen speelbaar maken 
  • Achtergrondverhalen, doelen en conflicten beïnvloeden het gedrag van een personage, hun manier van handelen.

  • Uiterlijke kenmerken (kostuum, grime) en expressies (lichaamstaal in mimiek en houding) laten zien en vertellen wat het personage denkt en vind.
    Wat drijft hen? = Doel (wat wil ik en waarom?)


Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Innerlijke drijfveren
  • Achtergrondverhalen, doelen en conflicten beïnvloeden: gedrag en manier van handelen.

  • Uiterlijke kenmerken en expressies onthullen iets over de innerlijke drijfveren.
Wat vertelt het uiterlijk en de houding van de personages?

Slide 11 - Slide

Eventuele opmerkingen:
  • Personage links heeft een ruiger uiterlijk: leren jas, bloesje losgeknoopt, blauwe plek in het gezicht.
    Personage recht heeft een formeler uiterlijk: witte bloes, horloge, net kapsel.
  • Personage links heeft een open houding: kijkt omhoog, borst is open. Kan het leven wat positiever inzien.
    Personage rechts heeft een gesloten houding: kijkt richting de grond, armen over elkaar, knieën opgetrokken. Kan het leven wat negatiever inzien.
Innerlijke drijfveren: Opdracht 1
Kijk naar de foto en volg deze stappen:
  1. A: Noem 3 objectieve dingen die je ziet. 
  2. B: Noem 3 subjectieve dingen die je denkt te zien.
  3. C: Bedenk een korte biografie van 3 zinnen.
  4. Breng dit personage tot leven in 1 houding: Hoe zou dit personage op een stoel zitten? Gebruik je fysiek en mimiek

Slide 12 - Slide

Bij stap 4 werken de drietallen als volgt:
Alle 3 de spelers spelen hetzelfde personage. Hun rolbiografie vertellen zij alle 3, dus elk 1 zin.
Uitdaging: Kijk of elke houding net wat anders is, maar nog steeds hetzelfde vertelt over het personage.
Innerlijke drijfveren: Opdracht 2
Blijf in je drietal. Iedereen krijgt een eigen foto en papier.
Kijk naar jouw foto en volg deze stappen individueel:
  1. Geef dit personage een naam + doel 
  2. Geef dit personage een conflict/dilemma. 
  3. Bedenk 1 passend kledingstuk. (Bril, ketting, jas, tas, hoed, shirt).

Slide 13 - Slide

Bij stap 4 werken de drietallen als volgt:
Alle 3 de spelers spelen hetzelfde personage. Hun rolbiografie vertellen zij alle 3, dus elk 1 zin.
Uitdaging: Kijk of elke houding net wat anders is, maar nog steeds hetzelfde vertelt over het personage.
Speloefening: Hotseat
1 minuut lang ga jij als jouw personage antwoorden op de vragen van de interviewer:

  1. Spreek af wie eerst interviewt.
  2. De interviewer stelt vragen over het leven van het personage in de hotseat.
  3.  Bespreek wat je hebt gezien en of de rol Kloppen de antwoorden met het personage?
  4.  Wissel om.
timer
1:00

Slide 14 - Slide

Misschien goed om een voorbeeld te geven met 2 vrijwilligers.

Ga nu je scène afmaken en oefenen! Denk aan:

1. Spelgegevens: Is de wie-wat-waar duidelijk te zien?
2. Mise-en-scène: Heb je nagedacht over wat en wie er waar op toneel staat?
Wat zien we eerst? Waar kom je op of af? Waarom beweeg je over het toneel? Wat wil je het publiek vertellen en hoe laat je dat zien in je mise-en-scène?
3. Doel: Maakt met spel duidelijk wat de personages willen van elkaar en wat zij daarvan vinden! 
4. Techniek: Welke lichten staan aan? Horen we geluid of muziek?




Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Afronding les 5
Hoe kom je achter het DOEL van jouw personage?
  • Vraag jezelf af "Wat wil ik? En waarom?"
  • Doelen zijn altijd concreet en actief: "Ik wil .... omdat ...."

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Spelafronding: De nachtwinkel
  • Elke groep heeft een aantal scène ideeën.

  • Kies 1 scène die jullie gaan improviseren.

  • Verdeel de rollen. Bedenk voor jezelf een geheim doel.







Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Spelafronding:
De nachtwinkel
  • Bedenk wat jouw personage in de nachtwinkel komt doen. Wat is je doel?

  • Kom op als je personage en loop naar de kassa (speel met je fysiek en mimiek).

  • Jullie hebben een kort dialoog en er wordt eventueel wat afgerekend. Loop weer af.

  • De caissière wordt de nieuwe klant en er komt een nieuwe caissière.





Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Nabespreking
  • Hoe voelde het om in de huid van jouw personage te kruipen en hoe beïnvloede jouw achtergrondverhaal de improvisatie?
  • Wat heb je geleerd over personages en hun psychologie?

Slide 19 - Slide

Als er weinig tijd is kan dit worden overgeslagen. Of de volgende slide.