Les 9 F 2.2 B : Budgetplan/geld rekenen

BUDGETTEREN
1 / 20
next
Slide 1: Slide
Praktische economieMBOStudiejaar 1

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

BUDGETTEREN

Slide 1 - Slide

Inkomsten& uitgaven
Leerdoel
* Ik weet wat inkomsten en uitgaven zijn
* Ik weet wat ik voor een bepaald bedrag kan kopen 
* Ik kan werken met een eenvoudig budgetplan

Slide 2 - Slide

Tekst
Wat zijn inkomsten ?

Slide 3 - Mind map


Hoeveel geld heb jij per maand
te besteden?
anoniem antwoord

Slide 4 - Open question

Wat zijn uitgaven?

Slide 5 - Mind map

0

Slide 6 - Video

Wat is budgetteren?
A
een begroting maken
B
een plan maken
C
geld sparen
D
geld uitgeven

Slide 7 - Quiz

Uitgaven
Uitgaven kunnen we in 2 groepen verdelen:
  • Vaste uitgaven :
Uitgaven die steeds terug keren. Dit kan maandelijks zijn, maar ook 1 keer per jaar.
Bijvoorbeeld : hypotheek of huur, gemeentelijke belasting, zorgverzekering, abonnement telefoon en internet.

  • Variabele uitgaven : alle overige uitgaven.
Bijvoorbeeld : boodschappen, kleding, cadeautjes, verzorgingsproducten enz.

Slide 8 - Slide


Tip: je kan ook antwoorden met een plaatje!
Waar geef jij het meeste 
geld aan uit?

Slide 9 - Open question

Inkomsten
De manier waarop je aan geld komt :
  • Inkomen uit werken
  • Inkomen van een uitkering

Voor jullie zijn de inkomsten:
  • Zakgeld
  • Kleedgeld
  • Bijbaantje

Slide 10 - Slide

Benzine tanken hoort bij de ...
A
dagelijkse uitgaven
B
variabele uitgaven
C
vaste uitgaven
D
vaste inkomsten

Slide 11 - Quiz

Als je geld uitgeeft voor het abonnement van je telefoon zijn dat ..
A
dagelijkse uitgaven.
B
variabele uitgaven.
C
vaste uitgaven.
D
vaste inkomsten.

Slide 12 - Quiz

Een begroting 
Een begroting is een overzicht van je inkomsten en uitgaven voor de komende periode. 

Slide 13 - Slide

Bekijk de begroting.
Welk risico loopt Choukri?
A
hij bouwt een studieschuld op
B
hij heeft meer uitgaven dan inkomsten
C
hij heeft niet genoeg over om te sparen
D
hij heeft geen zorgverzekering

Slide 14 - Quiz

Begroting (= budgetplan)
                        overzicht van  inkomsten en uitgaven


Slide 15 - Slide

Opdracht:
Maak een begroting voor jezelf.
Je eigen uitgaven en inkomsten verdeeld naar de drie soorten.

Slide 16 - Slide

Opdracht:
Maak in tweetallen een begroting voor Ellen. Ze heeft een bijbaan en verdient elk maand €290,-. Ze krijgt zakgeld €35,-. Ze betaald haar ziekte kosten €135,-. Ze heeft een brommer, die kost €25,- per maand aan benzine en de verzekering is €168,- per jaar. Ze spaart €100,- sporten kost €25,- per maand en uitgaan €50,-. Kleding/eten €60,-. Haar ziektekosten toeslag is €85,-. Het telefoon abb. is €20,- per maand.


In 2 tallen maak je een begroting en deze presenteer je aan je klasgenoten

Slide 17 - Slide

Inkomsten:
Salaris                                   290,-
Zakgeld                                   35,-
Zietekosten toelage          85,-






Totaal                                       410,-
 Uitgaven:
 Ziekteverzekering           135,-
Benzine                                   25,-
Verzekering (168:12)           14,-
Sparen                                    100,-
Sport                                          25,-
Uitgaan                                     50,-
Kleding                                      60,-
Telefoon                                    20.-

Totaal                                       429,-

Slide 18 - Slide

?
Welke mogelijkheden zijn er voor Ellen om beter uit te komen.

Slide 19 - Slide

Oplossingen:

Meer werken,
Meer fietsen
Minder/andere kleding
Uitgaan beperken

Slide 20 - Slide