Past continuous vs past simple

Past continuous vs past simple
1 / 24
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2,3

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

Past continuous vs past simple

Slide 1 - Slide

Past simple 
Om de past simple (de verleden tijd) te maken schrijf je achter regelmatige werkwoorden -ed.
Vb: I talked to Amy an hour ago.
De onregelmatige werkwoorden hebben eigen vorm. Die kan je alleen maar uit je hoofd leren. (vanaf p. 215 het 2e rijtje).

Slide 2 - Slide

De Past Simple is de Engelse term voor de verleden tijd. Je gebruikt deze vorm als je het hebt over feiten, gewoonten etc. die in het verleden gebeurd zijn en nu helemaal klaar zijn. Het is dus eigenlijk hetzelfde als de Present Simple, alleen dan in de verleden tijd!

Slide 3 - Slide

de past simple van to walk is?
A
walks
B
walkt
C
walked
D
gewalkt

Slide 4 - Quiz

de past simple van to buy is?
A
buyd
B
gebuyed
C
gebought
D
bought

Slide 5 - Quiz

2 All my relatives __________ (send) me birthday cards last week.

Slide 6 - Open question

4 The famous pop group __________
( play) at the concert last month.

Slide 7 - Open question

1. Fill in ◊
1 The train __________ (stop) at every station this morning.


Slide 8 - Open question

3 A minute ago the teacher __________ (answer) my question.

Slide 9 - Open question

Herhaling jaar 1 : Present continuous ( duurvorm in de tegenwoordige tijd) 
Je gebruikt de present continuous als iets nu gebeurt / aan de gang is. In het Nederlands zeg je vaak:  ik ben aan het …../hij is aan het…/ wij zijn aan het….
Vorm: Am/is/are + hele werkwoord + ing
Vb: I am baking a cake (at the moment)
You are baking a cake.   He is baking a cake.

Slide 10 - Slide

Wat is de Past Continuous?
De Past Continuous is de duurvorm in de verleden tijd. Dit houdt in dat wanneer je de Past Continuous voorbij ziet komen, er een actie in het verleden een langere tijd heeft geduurd. In het Nederlands gebruiken we dan vaak ‘was aan het…’ of ‘waren aan het…’. Daardoor weet je dat het een tijdje aan de gang was. 

Slide 11 - Slide

Voorbeelden:
I was walking to school.

John and Jack were listening to music.

Slide 12 - Slide

Hoe maak je de past continuous?
Vorm:
Was/were + het hele werkwoord + ing
Vb: I was baking a cake.
You were baking a cake.
He was baking a cake.

Slide 13 - Slide

Past continuous vs past simple
Wat is het verschil tussen de past continuous en past simple?
De Past Continuous en de Past Simple staan vaak samen in één zin. In de zin staat dan iets dat gebeurde, terwijl een andere activiteit al een tijdje bezig was. Je gebruikt in dat geval de Past Continuous voor de activiteit die het langst duurde en de Past Simple voor de activiteit die het kortst duurde.

Slide 14 - Slide

Dus:
De ene activiteit duurde al een tijdje en de andere activiteit gebeurde ondertussen. De langere actie -> past continuous en de korte actie -> past simple
Vb: I was doing my homework when the phone rang.
Ik was mijn huiswerk aan het maken toen de telefoon rinkelde.

Slide 15 - Slide

past simple-past continuous
We gaan nu een oefening maken..
Als je WHEN in de zin hebt staan staat er een past simple en een past continuous in de zin.
De past continuous duurt langer. He was working
De past simple is een moment en kort.. WHEN she arrived.

Slide 16 - Slide

Dus:
He was working when she arrived.
            Past cont.                       past simple              


Hij was aan het werken toen zij arriveerde.

Slide 17 - Slide

past simple-past continuous
Hoe maak je de past continuous ook alweer?

Om de past continuous te maken heb je altijd 2 werkwoorden nodig, namelijk een vervoeging van to be (was of were) + werkwoord met -ing erachter.
Dus: I was playing with her.

Slide 18 - Slide

I ..... (to drive) home, when the policeman .......(to shout) at me.

Slide 19 - Open question

I ...... (to breath) very strongly, when I ran up that hill.

Slide 20 - Open question

When they ..... (to calculate) the total costs to buy the house, the broker suddenly .......(to get)ill.

Slide 21 - Open question

Snap je de past continuous/past simple met WHEN zinnen?
A
yes
B
no
C
een beetje

Slide 22 - Quiz

Extra oefening: 
Susie ….( watch) a film when she … (hear) the noise.
We …( play) tennis when John … (hurt) his ankle.
He …( take) a shower when the telephone …(ring).

Slide 23 - Slide


I (to eat) breakfast when our cat (to jump) on the table.
My website (to update) when the system (to crash). I hope I have a backup.
What book (to read) when a bird (to hit) the window?

Slide 24 - Slide