• Je herkent meetkundige begrippen, symbolen en hoeken en gebruikt deze om situaties
te beschrijven.
• Je herkent coördinaten en windrichtingen en gebruikt deze om plaatsen en situaties te
beschrijven.
• Je herkent verschillende vormen van symmetrie en een symmetrie-as.
1 / 27
next
Slide 1: Slide
RekenenMBOStudiejaar 1
This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.
Lesson duration is: 50 min
Items in this lesson
Domein 4.1 Meetkundige begrippen
Rekendoelen
• Je herkent meetkundige begrippen, symbolen en hoeken en gebruikt deze om situaties
te beschrijven.
• Je herkent coördinaten en windrichtingen en gebruikt deze om plaatsen en situaties te
beschrijven.
• Je herkent verschillende vormen van symmetrie en een symmetrie-as.
Slide 1 - Slide
Welke naam hoort bij welk figuur?
Parallellogram
Vierkant
Cirkel
Vlieger
Rechthoek
Ovaal
Ruit
Driehoek
Slide 2 - Drag question
Versleep de plaatjes naar de juiste rij
Ruimtelijke figuren (3D)
Platte vakken (2D)
Slide 3 - Drag question
Sleep de uitslag naar het juiste ruimtefiguur
Slide 4 - Drag question
Route - windrichtingen
Ook de windrichtingen worden vaak gebruikt. Er worden soms windrichtingen gebruikt in een routebeschrijving. Je kunt de windrichtingen aflezen op een windroos.
Slide 5 - Slide
Hoe heet de windrichting tussen Noord en Oost?
A
Oostnoord
B
Noordoost
C
Noordelijk Oost
D
Oostelijk Noord
Slide 6 - Quiz
Wat zijn de coördinaten van het hotel?
A
(3,1)
B
(1,3)
C
(-3,-1)
D
(-1,-3)
Slide 7 - Quiz
Wat zijn de coördinaten van de supermarkt?
A
(2,1)
B
(1,2)
C
(-2,1)
D
(-1,-2)
Slide 8 - Quiz
Je herkent verschillende vormen van symmetrie en een symmetrie-as.
Lijnsymmetrie puntsymmetrie draaisymmetrie
Slide 9 - Slide
lijn-symmetrie
draai-symmetrie
lijn- en draai-symmetrie
Welke symmetrie zie je in de figuren?
Slide 10 - Drag question
Domein 4.2 Omtrek
Rekendoelen
• Je weet wat omtrek is.
• Je berekent of schat de omtrek van rechthoekige / samengestelde figuren.
• Je berekent of schat de omtrek van cirkelvormige figuren.
Slide 11 - Slide
Domein 4.3 Oppervlakte
Rekendoelen
Je kunt bekende maten en eenheden voor oppervlakte herkennen en onderscheiden en
gebruiken.
• Je kunt de oppervlakte berekenen van rechthoekige en samengestelde figuren.
• Je kunt de oppervlakte berekenen van niet-rechthoekige figuren, met behulp van een
formule.
Slide 12 - Slide
Slide 13 - Slide
Slide 14 - Slide
Slide 15 - Slide
H2: Omtrek = als ik er een touwtje omheen zou leggen, hoe lang is deze dan? Omtrek = OMheen
Slide 16 - Slide
Welke formule hoort er bij de omtrek?
A
Lengte + breedte
B
Lengte + breedte x 2
C
Lengte x breedte
D
Lengte+breedte+lengte+breedte
Slide 17 - Quiz
Waarbij bereken ik de omtrek?
A
het behangen van een muur
B
hoeveelheid water in een aquarium
C
het leggen van een vloer
D
hoeveel meter plinten ik nodig heb voor de woonkamer
Slide 18 - Quiz
Alle zijden zijn even lang. Wat is de omtrek in cm?
A
120 mm
B
210 mm
C
12 cm
D
21 cm
Slide 19 - Quiz
omtrek
oppervlakte
Totale lengte van alle zijden
2 x lengte + 2 x breedte
lengte x breedte
de grootte van de figuur
Slide 20 - Drag question
omtrek
inhoud
Oppervlakte
lengte + breedte + lengte + breedte
lengte x breedte
lengte x breedte x hoogte
Slide 21 - Drag question
Slide 22 - Video
Wat is de formule van het berekenen van oppervlakte?