Dictee
Dictee
Dictee
De vliegtuigen landden vorige week op het vliegveld.
Dictee
Ik brandde mijn vingers aan de pan
Dictee
Hij verwende zijn hond teveel
Dictee
De vogels verwachtten gisteren gevaar.
Sterk en zwak
gaan - ging
lopen - liep
zwemmen - zwom
werken - werkte
Stam + de(n) of + te(n)
Ik brandde mijn vingers aan de pan
Ik hakte de groente
Je hoort het: brandte kan niet, hakde ook niet
of gebruik
't kofschip (laatste letter voor -en)
wel? + te(n) bv. wachten, wacht, wachtte
niet? + de(n) bv. branden, brand, brandden
Maar: Brand je vader van nieuwsgierigheid?
Brand jij vader van nieuwsgierigheid?
(lachen) je broers je gisteren uit?
Lachten je broers je gisteren uit?
(landen) je oom gisteren op Schiphol?
Landde je oom gisteren op Schiphol?
Werkwoordspelling
tegenwoordige en verleden tijd
Persoonsvorm tegenwoordige tijd
Als de persoonsvorm (pv) in de tegenwoordige tijd staat, zijn er 3 mogelijkheden:
1. ik-vorm
2. ik-vorm + t
3. Hele werkwoord (bij meervoud)
Voorbeelden:
Vul de goede werkwoordsvorm in de tt in: Je (geloven) toch niet dat iedereen?
Vul de goede werkwoordsvorm in. Ik (vinden) het leuk om naar de film te gaan.
Vul de goede werkwoordsvorm in: Mijn vinger (bloeden) omdat ik mij gesneden heb.
(fietsen) jij vandaag naar huis?
Vul de goede werkwoordsvorm in: (houden) je broer van detectives?
Persoonsvorm verleden tijd:
Zit de laatste letter van het hele werkwoord voor -en WEL in 't kofschip? schrijf dan te / ten fietsen fietste/fietsten
Zit de laatste letter van het hele werkwoord voor -en NIET in 't kofschip? schrijf dan de / den bellen belde/belden
Vul de juiste werkwoordsvorm in (vt) De politie (verrichten) wekenlang onderzoek naar de inbraken.
Vul de juiste werkwoordsvorm in (vt) Toen ik mijn toets Spaans (maken), wist ik alles.
Vul de juiste werkwoordsvorm in (vt) We (durven) niet te kijken toen de politie op de deur bonkte.
Vul de juiste werkwoordsvorm in (vt) Ik (tobben) over mijn cijfer, terwijl ik de toets goed gemaakt had.
Wat is de juiste vorm van het werkwoord in de verleden tijd? Hij (gebruiken) zijn pen.
Hoe schrijf het werkwoord in de verleden tijd? Hij (bedoelen) het goed.
Hoe schrijf je het werkwoord in de verleden tijd? Ik (koken) pasta.
Hoe schrijf je het werkwoord in de verleden tijd? Wij (zetten) de pot op tafel.
Wat is de juiste vorm van het werkwoord? Zij (betalen) vorige week de rekening.
betalen
betaaldden
betaalden
betaaldten
Wat is de juiste vorm van het werkwoord? Hij (scheppen) vorige week op.
schepde
scheppte
schepten
schepte
GELEERD?
- je kunt werkwoorden correct spellen met behulp van het schema werkwoordspelling
spelling: werkwoordspelling