Strux stage 3
Les 4 hoofdstuk 3 omgaan met collega's en klanten
Hoe zit je erbij?
Strux stage 3
Les 4 hoofdstuk 3 omgaan met collega's en klanten
Hoe zit je erbij?
Hoofdstuk 3 omgaan met collega's en klanten
Doel deze week:
Je kunt uitleggen wat jou positieve eigenschappen zijn.
Je kunt omgaan met lastige eigenschappen van jezelf en anderen.
Strux stage 3 les 4
Terugblik vorige week:
Hoofdstuk 2: beginnen aan je externe stage
Je kunt uitleggen waarom het belangrijk is om je kleding aan de werksituatie aan te passen
Je kunt uitleggen waarom het belangrijk is om ervaring op te doen
Omgaan met elkaar
Prettige sfeer: Goed omgaan met elkaar zorgt voor plezier op je werk of stage. Het zorgt voor een prettige sfeer.
Praat met elkaar: Je hebt dagelijks contact met collega's, je begeleider of de leidinggevende.
Vaardigheden: Hiervoor gebruik je verschillende vaardigheden en eigenschappen.
Waarom is het belangrijk om op een goede manier met elkaar om te gaan op je werk of stage?
Zodat je zo min mogelijk hoeft samen te werken met collega's
Omdat dit zorgt voor een prettige sfeer en plezier in je werk
Omdat je alleen met je leidinggevende hoeft te praten
Zodat je geen vaardigheden hoeft te gebruiken
Welke woorden horen bij welke zinnen?
Alle dingen samen die je goed kunt
Hoe prettig of gezellig het is
De baas
Iets wat hoort bij een persoon of een voorwerp
Sfeer
Leidinggevende
Eigenschappen
Vaardigheden
Eigenschappen
Ieder mens is anders: Je hebt positieve en negatieve eigenschappen.
Positieve eigenschappen: Helpen je om makkelijk met situaties om te gaan.
Negatieve (lastige) eigenschappen: Maken dingen soms moeilijker, voor jezelf én anderen (bijv. onzeker of snel ongeduldig zijn).
Goed nieuws: Je kunt aan een lastige eigenschappen werken om ze te verbeteren!
Wat is waar over eigenschappen?
Ieder mens heeft alleen maar positieve eigenschappen
Aan lastige of negatieve eigenschappen kun je niets veranderen.
Iedereen heeft positieve én negatieve eigenschappen, en je kunt aan lastige eigenschappen werken
Negatieve eigenschappen zijn alleen handig voor jezelf
Aan de slag
Maak opdracht 1 t/m 3, 5, 6 en 8
Let op: opdracht 4 en 7 NIET
blz. 25, 26, 28, 29, 30