Lancering van een spaceshuttle (foto: NASA, publiek domein)
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN BEWEGING
Beweging en afgeleiden
Examenstof natuurkunde vwo
Lancering van een spaceshuttle (foto: NASA, publiek domein)
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN BEWEGING
Beweging en afgeleiden
Examenstof natuurkunde vwo
Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: C1.1, C1.2. Image credit: NASA / Wikimedia Commons, publiek domein
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN BEWEGING
Wat ga je kunnen?
Ik kan met afgeleiden, raaklijnen en oppervlakte uit diagrammen en functies snelheid, versnelling en verplaatsing bepalen.
This item has no instructions
Wat is voor jou het verschil tussen snelheid en versnelling?
Verwacht: snelheid is hoe snel je gaat (m/s), versnelling is hoe snel je snelheid verandert (m/s²). Gebruik dit om te laten zien dat je in deze les van plaats naar snelheid naar versnelling gaat met afgeleiden, en terug met oppervlakte. Syllabus C1.1 en C1.2.
Een jachtluipaard met halsband rent in een dierenpark (foto: Mark Dumont, CC BY 2.0)
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN BEWEGING
Bewegingen herkennen
Eenparig: constante snelheid, s = v·t. (x,t) is een rechte lijn, (v,t) een horizontale lijn.
Eenparig versneld of vertraagd: constante a. (v,t) is een schuine rechte lijn, (x,t) een kromme.
Vrije val: alleen zwaartekracht, a = g = 9,81 m/s² (informatieboek), constant.
Valbeweging met wrijving: a wordt kleiner, de (v,t)-grafiek buigt af.
Syllabus C1.1: berekeningen aan eenparige rechtlijnige bewegingen met s = v·t (v constant). Syllabus C1.2: de bewegingen eenparig, eenparig versneld of vertraagd, vrije val en valbeweging met wrijving herkennen. Een jachtluipaard rent niet eenparig: hij trekt op en remt af. Veelgemaakte fout: s = v·t gebruiken terwijl de snelheid verandert. Kijkvraag: welke van de vier bewegingen is dit, denk je? Image credit: Mark Dumont / Wikimedia Commons, CC BY 2.0
Animatie: van gemiddelde naar momentane snelheid
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN BEWEGING
Van gemiddeld naar momentaan
vgem = Δx/Δt: de helling van de lijn door twee punten van het (x,t)-diagram.
Neem Δt steeds kleiner: de lijn wordt de raaklijn. De momentane snelheid hoort bij één moment.
v = dx/dt: de snelheid is de afgeleide van de plaats naar de tijd.
Loopt de grafiek omlaag, dan is v negatief: het voorwerp beweegt de andere kant op.
Syllabus C1.2: de snelheid op een bepaald moment bepalen met het inzicht dat de snelheid de afgeleide is van de plaats naar de tijd; formules vgem = Δx/Δt en v = dx/dt. In de animatie is x = 0,25·t² en het punt ligt bij t = 6,0 s. Bij Δt = 6,0 s is vgem = 4,50 m/s, bij Δt = 1,0 s 3,25 m/s, en voor Δt naar 0 wordt het 3,00 m/s. Controle: v = 0,50·t geeft 3,0 m/s op t = 6,0 s. Kijkvraag: wat gebeurt er met de lijn en met vgem als Δt kleiner wordt? Veelgemaakte fout: denken dat dx/dt een deling van x door t is. Image credit: Eigen animatie
Een raaklijn aan een (x,t)-kromme bij t = 6,0 s
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN BEWEGING
Snelheid met een raaklijn
Teken de raaklijn in het punt van het gevraagde moment, met je liniaal langs de kromme.
Kies twee punten ver uit elkaar op de raaklijn, niet op de kromme zelf, en lees Δx en Δt af.
v = (Δx/Δt) raaklijn: hier 18 m in 6,0 s, dus 3,0 m/s op t = 6,0 s.
Controle met de formule: x = 0,25·t² geeft v = 0,50·t, dus 3,0 m/s op t = 6,0 s.
Syllabus C1.2: uit een (x,t)-diagram de snelheid op een bepaald moment bepalen. In de figuur gaat de raaklijn door (3,0 s; 0 m) en (9,0 s; 18 m): Δx = 18 m, Δt = 6,0 s, v = 3,0 m/s. Veelgemaakte fout: het driehoekje op de kromme zelf nemen, of x/t op het raakpunt (9,0/6,0 = 1,5 m/s). Image credit: Eigen figuur
Waaraan is de snelheid op één moment in een (x,t)-diagram gelijk?
De helling van de lijn vanaf de oorsprong
De oppervlakte onder de grafiek op dat moment
De helling van de raaklijn op dat moment
De waarde van x op dat moment, in meters
Syllabus C1.2: v = dx/dt, de helling van de raaklijn. Fouten: x/t (lijn vanaf de oorsprong), de oppervlakte (hoort bij een (v,t)-diagram), de plaats zelf.
Vul in
De gemiddelde snelheid hoort bij een tijdvak. De momentane snelheid is de afgeleide van x naar t.
Syllabus C1.2. Fout: de versnelling noemen; die is de afgeleide van v naar t.
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN BEWEGING
Differentiëren van x(t)
Bij een gegeven functie bereken je v en a: v = dx/dt en a = dv/dt.
Machtsfunctie: x = c·t² geeft v = 2·c·t, en x = c·t³ geeft v = 3·c·t². Een constante term valt weg.
Voorbeeld: x = 5,0 + 2,0·t + 0,50·t² geeft v = 2,0 + 1,0·t en daarna a = 1,0 m/s².
Vul het moment pas na het differentiëren in: op t = 3,0 s is v = 2,0 + 1,0·3,0 = 5,0 m/s.
Syllabus A12 (differentiëren van lineaire en kwadratische functies en machtsfuncties) en C1.2: v is de afgeleide van x, a de afgeleide van v. Nagerekend: x = 5,0 + 2,0·t + 0,50·t²; dx/dt = 2,0 + 1,0·t; op t = 3,0 s is v = 5,0 m/s; dv/dt = 1,0 m/s². Veelgemaakte fouten: eerst t invullen en dan differentiëren (geeft 0), de exponent niet laten zakken, of de eenheid m/s² vergeten bij a.
Een raaklijn aan een (v,t)-kromme bij t = 4,0 s
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN BEWEGING
Versnelling uit een (v,t)-diagram
agem = Δv/Δt: de helling tussen twee punten van het (v,t)-diagram, in m/s².
a = dv/dt: de versnelling op één moment is de helling van de raaklijn.
Hier gaat de raaklijn door (2,0 s; 20 m/s) en (6,0 s; 44 m/s): a = 24/4,0 = 6,0 m/s².
Rechte lijn: a is constant. Een kromme die vlakker wordt: a neemt af.
Syllabus C1.2: uit een (v,t)-diagram de (val)versnelling op een bepaald moment bepalen met het inzicht dat a de afgeleide is van v. In de figuur is v = 10·t - 0,5·t²; bij t = 4,0 s is v = 32 m/s en a = 10 - 4,0 = 6,0 m/s². De raaklijn gaat door (2,0; 20) en (6,0; 44): Δv = 24 m/s, Δt = 4,0 s. Veelgemaakte fout: v/t op het raakpunt (32/4,0 = 8,0), of de eenheid m/s in plaats van m/s². Image credit: Eigen figuur
De oppervlakte onder een (v,t)-diagram is de verplaatsing
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN BEWEGING
Oppervlakte onder een (v,t)-diagram
De oppervlakte onder de grafiek van een (v,t)-diagram is de verplaatsing Δx, in m.
Splits in rechthoeken en driehoeken: ½·2,0·4,0 + 8,0·4,0 + ½·4,0·4,0 = 44 m.
vgem = Δx/Δt: de gemiddelde snelheid is 44 m in 14 s, dus 3,1 m/s.
Bij een kromme tel je hokjes: elk hokje is een stukje verplaatsing. Onder de t-as telt de oppervlakte negatief.
Syllabus C1.2: uit een (v,t)-diagram de verplaatsing en de gemiddelde snelheid bepalen met de oppervlakte; syllabus A15.2: helling en oppervlakte interpreteren als natuurkundige grootheid. Nagerekend: ½·2,0·4,0 = 4,0 m; 8,0·4,0 = 32 m; ½·4,0·4,0 = 8,0 m; totaal 44 m; 44/14 = 3,14 dus 3,1 m/s. Eenheid: m/s · s = m. Veelgemaakte fout: de hoogste snelheid maal de hele tijd (4,0·14 = 56 m). Image credit: Eigen figuur
Je differentieert v(t) naar de tijd. Wat krijg je?
De plaats x(t)
De versnelling a(t)
De verplaatsing Δx
De gemiddelde snelheid
Syllabus C1.2: a = dv/dt. De plaats krijg je niet door te differentiëren maar door de oppervlakte onder het (v,t)-diagram te nemen.
Zet op volgorde: a bepalen met een raaklijn
Syllabus C1.2. De volgorde volgt de dia: raaklijn tekenen, punten kiezen, aflezen, rekenen.
Stroboscoopfoto van een vallende bal (foto: M. Maggs, CC BY-SA 3.0)
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN BEWEGING
Vrije val
Bij vrije val werkt alleen de zwaartekracht: a = g = 9,81 m/s², constant (informatieboek).
Uit a = Δv/Δt volgt Δv = g·Δt: de snelheid groeit elke seconde met 9,81 m/s.
(v,t): een rechte lijn door de oorsprong als je uit rust loslaat. (x,t): steeds steiler.
Op de foto groeit de afstand tussen de beelden steeds sneller: de bal gaat steeds sneller.
Syllabus C1.2: vrije val herkennen; de valversnelling g staat in het informatieboek. Rekenvoorbeeld: na 2,0 s is de snelheid 9,81·2,0 = 20 m/s (twee significante cijfers). Veelgemaakte fout: denken dat een zwaarder voorwerp sneller valt zonder luchtweerstand. Kijkvraag: wat zie je aan de afstanden tussen de beelden? Image credit: Michael Maggs / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
Parachutisten vallen met luchtwrijving, scherm nog dicht (foto: Rstpch, CC BY-SA 4.0)
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN BEWEGING
Valbeweging met wrijving
Met luchtwrijving neemt a af als v groeit: de raaklijn aan het (v,t)-diagram wordt vlakker.
Aan het begin is a ongeveer g. Later is a = 0: de snelheid is constant, de eindsnelheid.
In het (x,t)-diagram is de grafiek dan een rechte lijn, in het (v,t)-diagram een horizontale lijn.
Een (v,t)-kromme die afbuigt naar een horizontale lijn hoort bij een valbeweging met wrijving.
Syllabus C1.2: valbeweging met wrijving herkennen en de (val)versnelling op een moment bepalen met een raaklijn. De krachten zelf komen bij een ander onderwerp (C1.3 tot C1.5). Veelgemaakte fout: denken dat a = 0 betekent dat het voorwerp stilstaat; de snelheid is dan constant maar niet nul. Kijkvraag: waar in de val is de raaklijn aan (v,t) horizontaal? Image credit: Rstpch / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN BEWEGING
Eenparig: inhalen en passeren
Bij een eenparige beweging is v constant: s = v·t (informatieboek). Reken km/h eerst om naar m/s: deel door 3,6.
Inhalen: de afstand tussen twee voertuigen verandert met het snelheidsverschil vA - vB.
Tegemoet rijden: de afstand wordt kleiner met de som van de snelheden, vA + vB.
In een (x,t)-diagram zijn het twee rechte lijnen. Het snijpunt geeft waar en wanneer ze naast elkaar zijn.
Voorbeeld: 90 m achterstand en 3,0 m/s snelheidsverschil geeft inhalen na 90/3,0 = 30 s.
Syllabus C1.1: berekeningen aan eenparige rechtlijnige bewegingen met s = v·t (v constant); C1.2: (x,t)-diagram. Nagerekend: 90 m / 3,0 m/s = 30 s. In het (x,t)-diagram is de helling van elke lijn de snelheid; de steilere lijn haalt de andere in bij het snijpunt. Het numeriek model (A14.1) komt aan bod bij harmonische trillingen. Veelgemaakte fouten: met de snelheid van één voertuig rekenen, of km/h niet omrekenen. Kijkvraag: waarom gebruik je bij tegemoet rijden de som van de snelheden?
Welke (v,t)-grafiek hoort bij een vrije val vanuit rust?
Een horizontale lijn op 9,81 m/s
Een lijn die afbuigt naar een eindwaarde
Een lijn die steeds steiler wordt
Een rechte lijn door de oorsprong
Syllabus C1.2: bij vrije val is a constant, dus v groeit evenredig met t. Fouten: g aflezen als snelheid, afbuigen is een val met wrijving, steeds steiler zou een toenemende versnelling zijn.
Vul in
Bij inhalen reken je met het snelheidsverschil. In een (x,t)-diagram is het snijpunt van de twee lijnen het moment van inhalen.
Syllabus C1.1 en C1.2. Fouten: de gemiddelde snelheid van de twee voertuigen gebruiken, of het snijpunt verwarren met een raakpunt.
Wat vond je het lastigst in deze les?
Een raaklijn gebruiken
Differentiëren van x(t)
Helling of oppervlakte kiezen
Rekenen aan inhalen
Gebruik de uitslag om te bepalen welk vraagtype in de examentraining extra aandacht krijgt.
Leg v = dx/dt uit met een raaklijn.
Goed antwoord: de snelheid op één moment is de helling van de raaklijn aan het (x,t)-diagram; Δt wordt zo klein dat de lijn door twee punten de raaklijn wordt. Verwachte fout: v = x/t zeggen.
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN BEWEGING
Begrippen (1/2)
gemiddelde snelheid: Verplaatsing gedeeld door tijd: vgem = Δx/Δt, de helling tussen twee punten van een (x,t)-diagram.
momentane snelheid: De snelheid op één moment: de helling van de raaklijn aan het (x,t)-diagram.
raaklijn: Rechte lijn die een kromme op één punt net raakt; de helling is de waarde op dat moment.
afgeleide: v = dx/dt is de afgeleide van x naar t; a = dv/dt is de afgeleide van v naar t.
versnelling: Verandering van de snelheid per seconde, in m/s²: de helling van het (v,t)-diagram.
This item has no instructions
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN BEWEGING
Begrippen (2/2)
verplaatsing: Verandering van de plaats, Δx: de oppervlakte onder het (v,t)-diagram.
vrije val: Val met alleen zwaartekracht; a = g = 9,81 m/s², constant.
valbeweging met wrijving: Val waarbij a afneemt tot 0; de snelheid nadert een eindwaarde.
eenparige beweging: Beweging met constante snelheid: s = v·t; het (x,t)-diagram is een rechte lijn.
snelheidsverschil: Bij inhalen: de afstand tussen twee voertuigen verandert met vA - vB per seconde.
This item has no instructions