Vreemd vermogen en eisen (Bedrijfseconomie vwo), les 2: Examentraining

Kantoortoren The Rock op de Zuidas, Amsterdam. Foto: Fred Romero, CC BY 2.0

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · LENEN

Examentraining

Vreemd vermogen en eisen: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBedrijfseconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Examentraining met 8 vragen: agio op obligaties rekenen, de obligatievorm kiezen, lang of kort geld kiezen en voorwaarden toetsen. Met casussen en berekeningen.

Items in this lesson

Kantoortoren The Rock op de Zuidas, Amsterdam. Foto: Fred Romero, CC BY 2.0

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · LENEN

Examentraining

Vreemd vermogen en eisen: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Fred Romero / Wikimedia Commons, CC BY 2.0

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · LENEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan agio op obligaties berekenen, financieringsvormen vergelijken en de voorwaarden van vermogensverschaffers toetsen.

This item has no instructions

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · LENEN

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: welke organisatie, hoeveel geld, hoe lang en wat vraagt de verschaffer?

  • 2. Reken: eerst totaal nominaal, dan ontvangen bedrag, dan agio.

  • 3. Kies: vergelijk op looptijd, interest, onderpand en zeggenschap.

  • 4. Toets: zet het kengetal tegen de eis en trek de conclusie.

This item has no instructions

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · LENEN

Type 1: agio op obligaties rekenen

  • Gegeven: aantal obligaties, nominale waarde en emissiekoers in procenten.

  • Ontvangen bedrag = totale nominale waarde x emissiekoers. Agio = ontvangen min nominaal.

  • Interest bereken je altijd over de nominale waarde, niet over het ontvangen bedrag.

This item has no instructions

Vlaar nv geeft 6.000 obligaties van € 250 nominaal uit tegen een emissiekoers van 104%. Hoeveel ontvangt Vlaar?

A

€ 1.500.000

B

€ 1.560.000

C

€ 60.000

D

€ 1.440.000

Syllabus 21.8 en 21.9. 6.000 x € 250 = € 1.500.000; x 1,04 = € 1.560.000. Agio € 60.000. Verwachte fout: het agio (€ 60.000) of de nominale waarde als antwoord geven, of met 96% rekenen.

Sanne bv geeft 4.000 obligaties van € 500 nominaal uit tegen 102%, met een vaste interest van 4%. Hoeveel interest betaalt zij per jaar?

A

€ 81.600

B

€ 8.000

C

€ 80.000

D

€ 160.000

Syllabus 21.8. Interest over de nominale waarde: 4.000 x € 500 = € 2.000.000; x 4% = € 80.000. Tweede controle: € 500 x 4% = € 20 per obligatie x 4.000 = € 80.000. Verwachte fout: de interest over het ontvangen bedrag (€ 2.040.000 x 4% = € 81.600) berekenen.

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · LENEN

Type 2: obligatievorm kiezen

  • Je krijgt een organisatie met een wens: kies een gewone of een converteerbare obligatielening.

  • Zet voor- en nadelen tegenover elkaar, vanuit de organisatie en vanuit de belegger.

  • Omruilen betekent geen aflossing, maar wel nieuwe aandeelhouders.

This item has no instructions

Kwekerij Groenewoud wil € 5 mln lenen tegen zo laag mogelijke interest en accepteert nieuwe aandeelhouders. Liefst hoeft ze niet af te lossen. Welke vorm past?

A

Een converteerbare obligatielening

B

Een gewone obligatielening

C

Een hypothecaire lening

D

Een onderhandse lening

Syllabus 21.6 en 21.7. Het omruilrecht geeft lagere interest, en bij omruilen vervalt de aflossing. Verwachte fout: gewone obligatielening kiezen omdat die eenvoudiger lijkt; daarbij moet je altijd aflossen.

De aandelenkoers van Rivierhof nv stijgt sterk. Wat is dan voor de houder van een converteerbare obligatie het voordeel boven een gewone?

A

Een hogere vaste interest dan bij een gewone

B

Meeprofiteren van de koersstijging via omruilen

C

De obligatie wordt eerder afgelost

D

Direct stemrecht als aandeelhouder

Syllabus 21.6. Omruilen in aandelen laat de belegger meedelen in de koersstijging. Verwachte fout: denken dat de interest stijgt of dat de houder al stemrecht heeft; dat komt pas na omruilen.

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · LENEN

Type 3: lang of kort geld kiezen

  • Kies op looptijd: een bedrijfsmiddel dat lang meegaat financier je met lang vreemd vermogen.

  • Schommelingen in de dagelijkse geldbehoefte dek je met kort vreemd vermogen.

  • Rekening-courantkrediet is flexibel: je betaalt alleen over wat je opneemt.

This item has no instructions

Bakkerij De Korenaar koopt een oven van € 90.000 die tien jaar meegaat. Welke financiering past het best?

A

Rekening-courantkrediet

B

Ontvangen leverancierskrediet

C

Ontvangen afnemerskrediet

D

Een lening met een looptijd van tien jaar

Syllabus 21.7 en 21.10. Looptijd van de financiering sluit aan op de levensduur. Verwachte fout: rekening-courantkrediet kiezen omdat het flexibel is; dat is kort geld voor een lang bezit.

Timmerbedrijf Jaspers heeft een kredietlimiet van € 40.000 op de rekening-courant en gebruikt gemiddeld € 15.000, tegen 9% interest per jaar. Hoeveel interest betaalt het?

A

€ 1.350

B

€ 3.600

C

€ 13.500

D

€ 4.950

Syllabus 21.10. Interest alleen over het opgenomen bedrag: € 15.000 x 9% = € 1.350. Tweede controle: 10% is € 1.500, dus 9% is € 150 minder. Verwachte fout: over de limiet rekenen (€ 3.600) of een komma verschuiven (€ 13.500).

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · LENEN

Type 4: voorwaarden toetsen

  • Je krijgt een situatie: welke eis stelt de verschaffer en waarom?

  • Onderpand is zekerheid, duurzaamheid gaat over de manier van ondernemen en de rendementseis over risico en beloning.

  • Solvabiliteits- en liquiditeitseis toets je met een kengetal: solvabiliteit voor de lange termijn, liquiditeit voor de korte.

This item has no instructions

De bank eist van Hoeve bv een solvabiliteit (eigen vermogen : totaal vermogen) van minstens 30%. Hoeve heeft € 600.000 eigen vermogen en € 2.400.000 totaal vermogen. Voldoet Hoeve?

A

Ja, de solvabiliteit is 33%

B

Ja, de solvabiliteit is 75%

C

Nee, de solvabiliteit is 25%

D

Nee, de solvabiliteit is 33%

Syllabus 22.2. 600.000 : 2.400.000 x 100% = 25%, onder de eis van 30%. Tweede controle: een kwart van het totale vermogen is eigen. Verwachte fout: eigen vermogen delen door vreemd vermogen (600.000 : 1.800.000 = 33%) of het vreemd vermogen delen door het totale vermogen (75%).

Een bank leent alleen aan Vlasco bv als de bedrijfsvoering aan bepaalde milieu- en sociale normen voldoet. Welke voorwaarde is dit?

A

Onderpand

B

Rendementseis

C

Duurzaamheid

D

Liquiditeitseis

Syllabus 22.2. De eis gaat over de manier van ondernemen. Verwachte fout: onderpand kiezen omdat het een eis van de bank is; onderpand is zekerheid in goederen.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Agio op obligaties rekenen

2

Obligatievorm kiezen

3

Lang of kort geld kiezen

4

Voorwaarden toetsen

This item has no instructions

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · LENEN

Tips voor op het examen

  • Interest reken je over de nominale waarde, het agio over het ontvangen bedrag min de nominale waarde.

  • Koppel de looptijd van de financiering aan de levensduur van het bedrijfsmiddel.

  • Bij een eis: reken het kengetal uit en vergelijk het met het minimum.

This item has no instructions