A2 Thema 2 Les 2.6

A2 Thema 2 Les 2.6

Learning objective

1 / 15
next
Slide 1: Slide
New lesson editorTaalISK

This lesson contains 15 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

A2 Thema 2 Les 2.6

Learning objective

Het Nieuws

Betekenis: Informatie over wat er is gebeurd in de wereld of in Nederland.
In de krant of op tv (journaal)
Voorbeeld: Ik kijk elke avond naar het nieuws op televisie.

De Brand

Betekenis: Een groot vuur dat iets kapotmaakt, bijvoorbeeld in een huis of bos.


Meervoud: de branden

Voorbeeld: Er was een brand in de keuken.

Gevaarlijk

Betekenis: Niet veilig; iets wat pijn kan doen of schade kan geven.


Bijvoegelijk naamwoord: Gevaarlijke
Voorbeeld: Het is gevaarlijk om door rood te rijden.
Tegenovergestelde: veilig

De Brandweer

Betekenis: De mensen die het vuur blussen bij een brand.


Voorbeeld: De brandweer kwam snel om het vuur te blussen.

Het Vuur

Betekenis: Vlammen die warmte geven; wat brandt.

Meervoud: de vuren

Voorbeeld: Het vuur in de open haard is mooi.

De Boer

Betekenis: Iemand die werkt op het land en dieren of planten heeft.

Meervoud: de boeren

Voorbeeld: De boer melkt de koeien elke ochtend.

Het Procent

Betekenis: Een deel van honderd (1% = één van de honderd).


Meervoud: de procenten


Voorbeeld: Twintig procent van de mensen drinkt geen koffie.

Gisteren

Betekenis: De dag vóór vandaag.

Voorbeeld: Gisteren was het mooi weer.

Tegenovergestelde: morgen

Door

Betekenis: Omdat, vanwege

De oorzaak van iets.


Voorbeeld: Door de vertraging ben ik te laat op school.

De Ziekte

Betekenis: Als je lichaam niet goed werkt, iets in je lichaam waardoor je je niet goed voelt


Meervoud: de ziekten of ziektes
Voorbeeld: Griep is een bekende ziekte.


Tegenovergestelde: De gezondheid

De Lente

Betekenis: Het seizoen na de winter, als bloemen groeien en het warmer wordt.


Meervoud: de lentes


Voorbeeld: In de lente bloeien de tulpen.

Gemiddeld

Betekenis: Niet veel en niet weinig; in het midden.


Voorbeeld: De mannen in Nederland zijn gemiddeld 1 meter 80 lang.


Ongeluk

Betekenis: Een gebeurtenis waarbij iets fout gaat of iemand pijn krijgt.


Meervoud: de ongelukken


Voorbeeld: Er was een ongeluk met de auto.

Gebeuren

Werkwoord: gebeuren – gebeurde(n) – is gebeurd
Betekenis: Plaatsvinden; iets dat gebeurt.
Voorbeeld: Wat is er gebeurd op school?