Helpende Plus
Hoofdstuk 5 Ziekten
Basiskennis van veelvoorkomende ziektebeelden en de zorg voor cliënten
Helpende Plus
Hoofdstuk 5 Ziekten
Basiskennis van veelvoorkomende ziektebeelden en de zorg voor cliënten
In dit hoofdstuk behandelen we verschillende ziektebeelden die je als Helpende Plus in de praktijk kunt tegenkomen. Het is niet de bedoeling dat je alle medische details kent, maar wel dat je begrijpt wat een ziekte inhoudt en welke gevolgen deze kan hebben voor een cliënt. We kijken daarom steeds naar wat je kunt herkennen en wat belangrijk is in de dagelijkse zorg. Veel van jullie zullen een aantal van deze ziektebeelden al tegenkomen op het werk. Die praktijkervaring gaan we tijdens de les gebruiken.
Inhoud van de les
Leerdoelen
COPD
Diabetes
Dementie, depressie & delier
Reuma
CVA
Parkinson
Kanker, chemotherapie en bestraling
Veilig werken na chemotherapie
Afsluiting en kennischeck
We behandelen vandaag meerdere ziektebeelden die je als Helpende Plus in de praktijk kunt tegenkomen. Bij ieder ziektebeeld kijken we naar de belangrijkste kenmerken en naar wat dit betekent voor de dagelijkse zorg. Sommige onderwerpen zullen jullie vanuit het werk al goed kennen. Gebruik die praktijkervaring tijdens de vragen en casussen in de les.
Leerdoelen
Na deze les kun je:
de belangrijkste kenmerken van veelvoorkomende ziektebeelden herkennen en uitleggen;
uitleggen wat deze ziektebeelden kunnen betekenen voor de dagelijkse zorg en begeleiding van een cliënt;
in eigen woorden uitleggen wat chemotherapie en bestraling zijn;
uitleggen hoe je veilig werkt bij de verzorging van een cliënt na chemotherapie.
De leerdoelen gaan om basiskennis: studenten hoeven geen diagnoses te kunnen stellen. Ze moeten ziektebeelden wel kunnen herkennen en begrijpen welke gevolgen deze kunnen hebben voor de cliënt. Leg de nadruk op hun eigen rol als Helpende Plus: observeren, ondersteunen, veilig werken en veranderingen doorgeven. Bij chemotherapie komt daar specifiek veilig omgaan met uitscheidingsproducten en de omgeving bij.
Terugblik | Observaties
Je helpt meneer De Vries bij de ADL. Je merkt dat hij vandaag sneller ademt dan normaal, bleek ziet en erg moe is. Wat past het beste bij wat je vorige les hebt geleerd?
Ik noteer dat meneer waarschijnlijk ziek aan het worden is.
Ik observeer wat ik zie, verzamel zo nodig gegevens en geef afwijkingen door.
Ik wacht eerst af of meneer later op de dag vanzelf opknapt.
Ik probeer te bepalen welk ziektebeeld deze klachten veroorzaakt.
B is juist: je observeert objectief, verzamelt gegevens en geeft afwijkende observaties door volgens de afspraken. A is niet objectief, omdat je al een conclusie trekt over de oorzaak. C is onjuist omdat opvallende veranderingen niet zomaar genegeerd worden. D is niet de taak van de Helpende Plus; je signaleert en rapporteert, maar stelt geen diagnose.
Maak de brug naar vandaag: ziektekennis helpt je om veranderingen beter te herkennen en begrijpen, zonder dat je zelf een diagnose stelt.
Met welke ziektebeelden uit dit hoofdstuk kom jij op je werk in aanraking?
Gebruik de antwoorden om hun bestaande praktijkkennis zichtbaar te maken. Vraag bij twee of drie antwoorden kort: Wat merk jij bij deze cliënt tijdens de dagelijkse zorg? Laat studenten vooral ervaringen noemen en ga nog niet uitgebreid corrigeren of uitleggen. Vertel dat we de ziektebeelden vandaag één voor één bekijken en hun praktijkervaring steeds aan de theorie koppelen.
COPD
COPD betekent Chronic Obstructive Pulmonary Diseases en is een verzamelnaam voor chronische bronchitis en longemfyseem. Het is een chronische aandoening van de longen en luchtwegen. Astma is ook een longziekte, maar valt niet onder COPD.
Chronische bronchitis
Het slijmvlies in de luchtwegen is ontstoken. Er wordt slijm aangemaakt, waardoor ademen moeilijker wordt. Klachten zijn onder andere hoesten, slijmvorming, kortademigheid en een piepende ademhaling.
Longemfyseem
De longblaasjes hebben hun elasticiteit verloren en kunnen geen zuurstof meer opnemen. Kortademigheid en vermoeidheid zijn belangrijke verschijnselen. Later kunnen deze klachten ook in rust optreden.
De belangrijkste oorzaak van COPD is roken. Ook chemische dampen en aanleg kunnen een rol spelen.
COPD is een chronische ziekte waarbij goede en minder goede periodes of dagen voorkomen. Leg de koppeling met de vorige les: in de longblaasjes wordt zuurstof aan het bloed toegevoegd en koolzuurgas uit het bloed verwijderd. Bij chronische bronchitis zit het probleem vooral in de ontstoken luchtwegen en slijmvorming; bij longemfyseem in de beschadigde longblaasjes.
Vraag: Welke veranderingen in de ademhaling zou je bij een cliënt met COPD kunnen observeren? Denk aan kortademigheid, een piepende ademhaling en veranderingen die de cliënt zelf aangeeft.
This item has no instructions
COPD | Dagelijkse zorg
Mensen met COPD zijn vaak kortademig en snel vermoeid. Activiteiten die voor een ander weinig inspanning kosten, kunnen voor hen veel energie vragen.
Aandachtspunten bij de verzorging
Doe de ADL op het moment van de dag waarop de cliënt de minste klachten heeft.
Voorkom onnodige vermoeidheid en houd een vaste volgorde aan.
Laat de cliënt zoveel mogelijk zitten tijdens de verzorging.
Let erop dat de cliënt blijft doorademen.
Laat de cliënt uitademen wanneer de armen omhoog moeten, bijvoorbeeld bij het aankleden.
Vermijd prikkelende middelen zoals haarlak en deodorant uit een spuitbus.
Een gezonde leefstijl, voldoende beweging en goede voeding zijn belangrijk. 's Nachts kan de benauwdheid erger zijn; een halfzittende houding kan dan helpen.
Benadruk dat dagelijkse handelingen veel energie kunnen kosten wanneer iemand benauwd is. Bij ernstige COPD kan iemand juist erg mager zijn; COPD komt volgens de theorie zowel bij overgewicht als ondergewicht voor. Goed hoesten is belangrijk om slijm kwijt te raken en complicaties te helpen voorkomen. Bij extreme vermoeidheid kunnen kleine beetjes eten helpen en bij opgehoest sputum blijf je professioneel handelen.
Vraag: Wat zou jij tijdens een was- en aankleedmoment kunnen aanpassen als je merkt dat een cliënt steeds benauwder wordt?
COPD | Wat doe jij?
Je helpt meneer Bakker met aankleden. Hij heeft COPD. Tijdens het aantrekken van zijn trui wordt hij kortademig. Hij probeert snel door te gaan omdat hij op tijd klaar wil zijn.
Wat past het beste bij goede zorg?
Je neemt het aankleden over, zodat meneer zo snel mogelijk klaar is.
Je laat meneer eerst de ADL afmaken en daarna voldoende uitrusten.
Je laat meneer zitten, geeft hem tijd en let erop dat hij blijft doorademen.
Je helpt meneer sneller met aankleden, zodat de inspanning minder lang duurt.
B is juist: je voorkomt onnodige vermoeidheid, laat de cliënt zoveel mogelijk zitten en let op het doorademen. A is onjuist omdat je niet automatisch alles overneemt wat de cliënt zelf nog kan. C is onjuist omdat je juist tijdens de verzorging rekening houdt met vermoeidheid en benauwdheid. D is onjuist omdat sneller handelen de cliënt niet automatisch minder belast.
Vraag eventueel aan de groep: Wie herkent dit soort momenten bij cliënten op het werk?
Ter informatie
Diabetes
Bij diabetes (suikerziekte) zit er te veel glucose in het bloed. Glucose is een belangrijke brandstof voor het lichaam.
Het hormoon insuline zorgt ervoor dat glucose vanuit het bloed in de cellen wordt opgenomen. Bij diabetes wordt er te weinig of geen insuline aangemaakt in de alvleesklier.
Twee soorten diabetes
Type 1: het lichaam maakt geen of onvoldoende insuline aan.
Type 2: ontstaat vaak op latere leeftijd en komt het meest voor.
Diabetes is een chronische ziekte. Op lange termijn kunnen onder andere problemen ontstaan met hart en bloedvaten, ogen, nieren, geheugen, handen en voeten.
Glucose zit in het bloed en insuline helpt om glucose in de cellen te krijgen. De theorie beschrijft type 1 als meestal aangeboren en type 2 als vaak ontstaan op latere leeftijd, vooral door ongezonde voeding en te weinig beweging. Van de tien mensen met diabetes hebben er volgens de theorie ongeveer negen type 2. De behandeling bestaat uit gezonde voeding en medicijnen; insuline kan via injecties worden toegediend.
Vraag: Wie begeleidt op het werk cliënten met diabetes en wat merk je daarvan tijdens jouw zorgmomenten?
This item has no instructions
Diabetes | Bloedsuiker en behandeling
De bloedsuiker kan worden gemeten met een apparaat dat een druppel bloed gebruikt. De waarde wordt uitgedrukt in mmol/l.
Volgens de theorie ligt een gezonde bloedsuikerwaarde tussen 4,0 en 8,0 mmol/l.
Bij de behandeling zijn belangrijk:
gezonde voeding en een gezond lichaamsgewicht;
regelmatig en verspreid over de dag eten;
medicijnen die invloed hebben op de insuline;
zo nodig insuline via een injectie.
Na het toedienen van insuline is het belangrijk dat de cliënt op tijd eet. Anders kan het bloedsuikergehalte te ver dalen.
Veel cliënten met diabetes meten zelf hun bloedsuiker en kunnen ook zelf insuline injecteren. De grens waarbij extra insuline nodig is en de hoeveelheid insuline verschillen volgens de theorie per cliënt en zijn bij de cliënt bekend. Leg daarom de nadruk op werken volgens de afspraken van de cliënt en organisatie, niet zelf een hoeveelheid bepalen. Maak alvast de overgang naar de volgende dia: een bloedsuiker kan te laag of te hoog worden. Dat noemen we een hypo en een hyper.
This item has no instructions
Sleep iedere observatie naar HYPO of HYPER:
Hypo
Hyper
Zweten
Slaperigheid
Wazig zien
Honger
Trillen
Veel dorst
Vaak plassen
Droge tong
Moeheid staat bewust niet tussen de sleepitems, omdat dit volgens de theorie bij zowel hypo als hyper kan voorkomen. Leg de verbinding met Observaties: deze verschijnselen kun je objectief waarnemen of de cliënt kan ze zelf aangeven. Bij opvallende veranderingen handel je volgens de afspraken en geef je observaties door.
Dementie
Dementie is een verzamelnaam voor verschillende aandoeningen waarbij het verstandelijk functioneren geleidelijk achteruitgaat. Het bewustzijn blijft daarbij goed. Geheugenverlies is vaak een van de belangrijkste kenmerken.
Veelvoorkomende vormen:
Ziekte van Alzheimer
Hersencellen raken beschadigd en gaan verloren. Het verstandelijk functioneren gaat langzaam achteruit.
Vasculaire dementie
Hersencellen raken beschadigd doordat kleine bloedvaten in de hersenen minder goed functioneren en de doorbloeding afneemt.
Lewy-body dementie
In de hersenen ontstaan ophopingen van bepaalde eiwitten.
Kenmerken kunnen zijn:
geheugenproblemen • desoriëntatie • problemen met beoordelen • problemen met taal • problemen met handelingen • gedrags- en stemmingsveranderingen
Dementie is dus niet één ziekte, maar een verzamelnaam voor verschillende aandoeningen. Leg kort uit dat desoriëntatie betekent dat iemand bijvoorbeeld niet meer goed weet welke dag het is, waar hij is of wie iemand is. Benoem ook de begrippen afasie (problemen met taal), apraxie (problemen met het uitvoeren van handelingen) en agnosie (problemen met het herkennen van prikkels of voorwerpen). Die termen staan in hun theorie en kunnen ze dus tegenkomen.
Vraag welke kenmerken studenten herkennen bij cliënten op hun werk.
This item has no instructions
Dementie verloopt in fasen
Wat zie je?
1. Lichte dementie
Nog redelijk zelfstandig. Vergeetachtigheid, moeite met woorden of rekenen, minder interesse in hobby's en soms achterdocht.
2. Matige dementie
Problemen met kortetermijngeheugen en oriëntatie. Herhaalt zichzelf, haalt namen door elkaar en heeft steeds meer hulp nodig.
3. Ernstige dementie
Leeft steeds meer in het verleden. Veel gebeurtenissen worden direct vergeten. Problemen met praten, bewegen en continentie. Continue zorg nodig.
4. Diepe dementie
Contact maken is vrijwel niet meer mogelijk. De cliënt is grotendeels gebonden aan bed of stoel en kan onrustige, herhalende bewegingen of geluiden maken.
Benadruk dat dementie geleidelijk verder kan gaan en dat de zorgbehoefte daardoor verandert. In fase 1 kan iemand nog veel zelf en vaak ook beseffen dat er iets misgaat. In fase 2 neemt de afhankelijkheid toe; fase 3 vraagt voortdurende zorg en in fase 4 is nauwelijks contact mogelijk. Gebruik de fasen niet als een checklist waarmee studenten zelf moeten bepalen 'in welke fase' iemand zit.
Vraag: Wat betekent deze achteruitgang voor het stimuleren van zelfredzaamheid?
Omgaan met dementie
Hoe je een cliënt begeleidt, hangt af van wat de cliënt nog kan en hoe ver de dementie is gevorderd.
Bij lichte dementie
Geef informatie over tijd, plaats en persoon.
Verdeel een activiteit in kleine, haalbare stappen.
Geef complimenten voor wat goed gaat.
Corrigeer en instrueer zo onopvallend mogelijk.
Stimuleer de cliënt om zoveel mogelijk zelf te blijven doen.
Dit helpt om zelfstandigheid en zelfvertrouwen te behouden en kan angst verminderen.
Bij verdere dementie - validation
Bij validation ga je mee in de belevingswereld van de cliënt. Je bevestigt de gevoelens en gedachten van de cliënt, ook wanneer wat de cliënt vertelt feitelijk niet klopt. Dit kan rust geven.
Volgens de theorie is het vasthouden aan de werkelijkheid vooral passend bij lichte dementie. Validation wordt beschreven als passend vanaf fase 2, wanneer iemand zich steeds moeilijker op de werkelijkheid kan oriënteren. Het doel is niet de cliënt overtuigen dat iets echt gebeurd is, maar aansluiten bij wat de cliënt op dat moment beleeft en voelt.
Laat studenten het verschil ervaren met de casus op de volgende dia.
Wat zou jij zeggen?
Mevrouw De Jong heeft dementie en woont in een verpleeghuis. Tijdens de verzorging zegt ze onrustig:
“Ik moet nu naar huis. Mijn kinderen komen zo uit school en er is niemand voor ze.”
Haar kinderen zijn inmiddels volwassen.
Hoe zou jij op mevrouw reageren?
“U maakt zich zorgen om uw kinderen. Vertel eens over hen.”
in plaats van:
“Maar mevrouw, uw kinderen zijn allang volwassen. U woont hier nu.”
Gebruik deze casus om validation concreet te maken. De tweede reactie corrigeert de werkelijkheid, maar sluit niet aan bij de emotie van mevrouw. Bij de eerste reactie bevestig je haar zorg zonder te hoeven zeggen dat haar kinderen daadwerkelijk uit school komen.
Vraag studenten wat er mogelijk gebeurt wanneer je mevrouw steeds opnieuw vertelt dat haar kinderen volwassen zijn. Koppel terug aan welzijn, veiligheid en rust.
Dementie of delier?
Dementie
Ontstaat geleidelijk
Achteruitgang over langere tijd
Bewustzijn blijft goed
Klachten zijn meer blijvend
Geheugen en oriëntatie nemen af
Delier
Ontstaat plotseling, binnen uren tot dagen
Acute verwardheid
Bewustzijn kan wisselen
Klachten kunnen sterk wisselen
Hallucinaties en wanen kunnen voorkomen
Bij een delier kun je ook zien:
onrust of juist opvallende apathie;
plukken aan kleding of beddengoed;
hallucinaties of wanen.
Mogelijke oorzaken zijn bijvoorbeeld een infectie, koorts, uitdroging, obstipatie, urineretentie, operatie of medicatie.
Een delier is vooral belangrijk om te herkennen doordat de verandering acuut ontstaat. Een cliënt die gisteren nog helder was en vandaag plotseling sterk verward is, vraagt dus om aandacht en rapportage. Oudere en kwetsbare cliënten hebben volgens de theorie een grotere kans op een delier. Benoem dat een rustig of stil delier ook bestaat; iemand hoeft dus niet altijd onrustig te zijn.
Vraag: Wat is hier de belangrijkste verandering die jou als Helpende Plus moet opvallen? Antwoord: het plotseling veranderde gedrag/verwardheid.
Je komt 's morgens bij meneer Smit. Gisteren maakte hij nog een praatje met je. Vandaag is hij plotseling verward, weet hij niet waar hij is en zegt hij mensen in zijn kamer te zien die er niet zijn. Wat past het beste bij deze situatie?
Dit kan passen bij een delier en de verandering moet worden doorgegeven.
Dit past vooral bij een normale ontwikkeling van dementie.
Dit hoort bij ouder worden en kan eerst een paar dagen worden afgewacht.
Dit wijst erop dat meneer waarschijnlijk vasculaire dementie heeft.
B is juist: vooral het plotselinge ontstaan, de verwardheid en het zien van dingen die er niet zijn passen bij een mogelijk delier. A is niet juist omdat dementie meestal geleidelijk ontstaat. C is onjuist: zo'n plotselinge verandering moet worden gesignaleerd en doorgegeven. D is onjuist omdat je op basis van deze observaties geen diagnose stelt.
Koppel opnieuw terug naar de vorige lessen: observeren - verandering herkennen - objectief rapporteren en doorgeven.
Depressie bij ouderen
Een depressie kan ook bij oudere mensen voorkomen. Verlies van mogelijkheden, rouw en eenzaamheid kunnen daarbij een rol spelen.
Let bijvoorbeeld op:
minder aandacht voor persoonlijke verzorging;
verlies van interesse in activiteiten of hobby's;
somberheid en terugtrekken;
veranderingen in het dagelijks functioneren.
Een depressie bij ouderen wordt soms minder snel herkend, omdat klachten worden gezien als iets wat bij het ouder worden hoort.
Leg vooral de relatie met observeren en signaleren. Als iemand die altijd verzorgd was ineens nauwelijks meer aandacht aan zichzelf besteedt of stopt met activiteiten waar hij van genoot, is dat een verandering die je serieus neemt. De Helpende Plus stelt geen diagnose depressie, maar kan veranderingen wel signaleren en doorgeven.
Vraag e.v.t. of studenten in hun werk verschil zien tussen 'een slechte dag hebben' en een duidelijke verandering die langere tijd opvalt.
Reuma is een verzamelnaam voor verschillende aandoeningen aan het bewegingsapparaat. In dit hoofdstuk worden drie aandoeningen behandeld:
Artrose: het kraakbeen in een gewricht gaat langzaam achteruit. Hierdoor kan bewegen moeilijker en pijnlijker worden. Artrose komt veel voor in onder andere knieën, heupen, nek, onderrug, vingers en tenen.
Kenmerken zijn onder andere:
pijnlijke en stijve gewrichten;
klachten die toenemen bij bewegen;
zwelling van gewrichten;
ochtendstijfheid;
soms een krakend of knarsend gevoel.
Ziekte van Bechterew: een vorm van ontstekingsreuma. Ontstekingen kunnen kraakbeen en bot beschadigen. Vooral de rug, heupen en andere gewrichten kunnen stijf en pijnlijk worden.
Fibromyalgie: Wordt in dit hoofdstuk bij reuma behandeld, maar verschilt van artrose en ontstekingsreuma. Het geeft pijn en stijfheid in spieren en bindweefsel. Ook vermoeidheid, slaapproblemen en problemen met concentratie en geheugen kunnen voorkomen.
This item has no instructions
This item has no instructions
Reuma | Wat betekent dit voor de zorg?
Bewegen kan pijnlijk zijn, maar voldoende beweging blijft belangrijk om spieren en gewrichten zo soepel mogelijk te houden.
Voor een cliënt kunnen dagelijkse handelingen moeilijker worden, zoals:
wassen en aankleden;
lopen en opstaan;
eten en drinken;
huishoudelijke activiteiten.
Als Helpende Plus
stimuleer je de cliënt om te blijven doen wat nog lukt;
geef je voldoende tijd bij pijn en stijfheid;
ondersteun je bij dagelijkse handelingen waar nodig;
gebruik je beschikbare hulpmiddelen;
let je op veranderingen in pijn, bewegen en zelfstandigheid.
Rust en ontspanning kunnen helpen bij klachten. Bij reumatische aandoeningen kunnen ook pijnstillende en ontstekingsremmende medicijnen worden gebruikt.
De theorie noemt als voorbeelden van NSAID's diclofenac, naproxen en ibuprofen. Het gaat om herkennen dat medicatie onderdeel van de behandeling kan zijn. Benadruk vooral het evenwicht tussen ondersteunen en zelfredzaamheid behouden.
Vraag: Wat gebeurt er met de zelfredzaamheid als je uit tijdsdruk alle handelingen overneemt?
Sleep de kenmerken naar de juiste vorm van reuma.
ARTROSE
BECHTEREW
FIBROMYALGIE
Kraakbeen gaat achteruit
Concentratie- en geheugenproblemen
Vermoeidheid en slaapproblemen
Klachten vaak erger bij bewegen
Vaak klachten van onderrug en billen
Kan leiden tot een stijve of kromme rug
Pijn en stijfheid in gewrichten
Pijn in spieren en bindweefsel
Ontstekingsreuma
Bij artrose staat de achteruitgang van kraakbeen centraal, bij Bechterew de ontstekingen en bij fibromyalgie de verspreide pijnklachten in spieren en bindweefsel. Bespreek na afloop alleen de onderdelen die nog door elkaar worden gehaald.
CVA
CVA betekent cerebrovasculair accident en wordt ook een beroerte genoemd. Een deel van de hersenen krijgt onvoldoende of geen bloed en daardoor onvoldoende zuurstof en glucose.
Onder CVA vallen:
Herseninfarct
Een bloedstolsel sluit een bloedvat in de hersenen af.
Hersenbloeding
Een bloedvat in de hersenen barst.
TIA
Een bloedvat in de hersenen is tijdelijk afgesloten.
Risicofactoren zijn onder andere roken, overgewicht, stress, weinig beweging, hoge bloeddruk en een hoog cholesterolgehalte.
This item has no instructions
Beroerte herkennen = direct handelen
This item has no instructions
This item has no instructions
Na een CVA | Wat kun je zien?
De gevolgen verschillen per cliënt en zijn afhankelijk van het beschadigde deel van de hersenen.
Mogelijke gevolgen
verlamming of krachtsverlies aan één zijde;
problemen met voelen, zien of communiceren;
vermoeidheid;
problemen met aandacht en geheugen;
incontinentie en risico op decubitus;
soms epilepsie.
Als Helpende Plus
stimuleer de zelfredzaamheid;
betrek de aangedane zijde;
geef voldoende tijd en rust;
bied structuur en duidelijke informatie;
let op houding en decubitus.
Een beschadiging in één hersenhelft geeft vaak gevolgen aan de tegenovergestelde lichaamszijde. Na een CVA kunnen ook denken, waarnemen en communiceren veranderen. Vermoeidheid en vertraagd denken kunnen het dagelijks functioneren beïnvloeden. Een vaste volgorde en vaste plaatsen voor spullen kunnen helpen bij geheugen- en concentratieproblemen.
Wat doe jij?
Mevrouw Vos heeft na een CVA krachtsverlies aan haar linkerzijde. Tijdens het aankleden doet ze langzaam zelf wat ze nog kan.
Wat past het beste bij goede zorg?
het aankleden overnemen om haar energie te bewaren.
Alleen helpen bij de aangedane lichaamszijde.
Haar tijd geven en stimuleren wat zij zelf kan.
De verzorging uitstellen tot zij meer energie heeft.
C is juist. Zelfredzaamheid stimuleren en voldoende tijd geven zijn belangrijke aandachtspunten na een CVA. De aangedane lichaamszijde wordt zoveel mogelijk bij de zorg betrokken. Vermoeidheid betekent niet automatisch dat handelingen moeten worden overgenomen.
Bij Parkinson is de verbinding tussen de hersenen en spieren verstoord. Signalen worden minder goed doorgegeven, waardoor bewegen moeilijker wordt.
Kenmerken
langzaam bewegen;
stijve spieren;
trillen, vooral in rust;
moeite met starten van een beweging;
kleine passen en minder balans;
minder gezichtsuitdrukking;
problemen met spreken en slikken.
Parkinson is chronisch en progressief.
De klachten beginnen meestal aan één kant van het lichaam.
In de zorg: geef voldoende tijd, stimuleer de zelfredzaamheid en bied aanwezige hulpmiddelen aan.
This item has no instructions
Welke combinatie past het beste bij Parkinson?
Plotselinge verlamming, scheve mond en verwarde spraak.
Veel dorst, vaak plassen en toenemende slaperigheid.
Kortademigheid, hoesten en een piepende ademhaling.
trillen in rust, stijfheid en langzaam bewegen.
D is juist. Trillen in rust, stijfheid en langzaam bewegen zijn kenmerkend voor Parkinson.
A past bij de alarmsignalen van een CVA,
B bij een hyper
C bij COPD.
This item has no instructions
Oedeem, trombose en spataderen
Oedeem
Vochtophoping onder de huid.
Trombose
Een bloedstolsel in een bloedvat.
Spataderen
Verwijde aderen, vaak zichtbaar in de benen.
Bij deze aandoeningen kunnen steunkousen worden gebruikt. Deze ondersteunen de bloedstroom vanuit de benen richting het hart.
Voor het aantrekken observeer je de benen op:
wonden • eczeem • oedeem • pijn • kleur
Steunkousen geven volgens de theorie overal ongeveer dezelfde druk. Therapeutisch elastische of compressiekousen geven meer druk bij de enkel en naar boven toe minder. Kousen worden 's morgens aangetrokken en 's avonds uitgedaan. Plooien moeten worden voorkomen vanwege extra druk en risico op huidbeschadiging.
This item has no instructions
Kanker
Kanker ontstaat wanneer lichaamscellen zich ongecontroleerd blijven delen.
Door fouten bij de celdeling kan een tumor ontstaan.
Goedaardige tumor
Groeit niet door in omliggend weefsel.
Kwaadaardige tumor
groeit door in omliggend weefsel;
kan zich via bloed of lymfe verspreiden;
kan uitzaaiingen veroorzaken.
Kanker is steeds vaker te behandelen of kan een chronische ziekte worden.
Nieuwe cellen vervangen normaal oude of beschadigde cellen en de celkern regelt de celdeling. Soms ontstaat hierbij een fout die niet door het lichaam wordt hersteld. Een groep cellen die niet stopt met delen vormt een tumor. Erfelijkheid, roken, alcohol en zonlicht worden in de theorie genoemd als mogelijke factoren bij het ontstaan van kanker.
This item has no instructions
This item has no instructions
Chemotherapie
Bij chemotherapie worden cytostatica gebruikt. Deze medicijnen doden kankercellen of remmen de groei ervan. Via een infuus kunnen cytostatica zich via het bloed door het lichaam verspreiden.
Mogelijke bijwerkingen
vermoeidheid;
misselijkheid en braken;
diarree of obstipatie;
haaruitval;
veranderde smaak en eetlust;
grotere kans op infecties;
droge huid en nagelproblemen;
bloedarmoede;
mondproblemen.
Cytostatica werken op cellen die zich snel delen. De bijwerkingen verschillen per cliënt en behandeling. Ook veranderingen in geur en smaak en menstruatieproblemen worden in de theorie genoemd. Voor de Helpende Plus is vooral belangrijk dat resten van cytostatica na de behandeling nog enige tijd via lichaamsvloeistoffen kunnen worden uitgescheiden.
This item has no instructions
Bestraling
Bij bestraling (radiotherapie) worden kankercellen met straling vernietigd. Gezond weefsel wordt daarbij zoveel mogelijk gespaard.
Mogelijke bijwerkingen
vermoeidheid;
huidirritatie en roodheid;
haaruitval op de bestraalde plaats;
lymfoedeem;
klachten van mond, keel of darmen, afhankelijk van de plaats van bestraling.
Aandacht voor de zorg
voldoende eten en drinken;
huid voorzichtig verzorgen;
geen zeep op de bestraalde huid;
huid droogdeppen;
bestraalde huid beschermen tegen de zon.
Klachten aan slijmvliezen kunnen volgens de theorie twee tot drie weken na de start ontstaan en meestal drie tot zes weken na de behandeling verminderen. De theorie adviseert ongeveer 1,5 tot 2 liter vocht per dag. Voeding kan worden aangepast aan de klachten; persoonlijk advies loopt via de verantwoordelijke zorgverlener, arts of deskundige. Op de bestraalde huid worden volgens de theorie geen pleisters of metaalhoudende producten gebruikt.
Besmet materiaal | Wat doe je?
Sleep naar de juiste handeling
Wasgoed
Afval
Zak goed afsluiten.
Eerst koud spoelen, daarna normaal wassen.
Lucht niet uit de zak drukken
Zak niet te vol doen
Rechtstreeks vanuit de zak in de wasmachine
Handschoenen gebruiken
Direct in een stevige plastic zak
Apart in een afgesloten plastic zak
This item has no instructions
Een cliënt heeft gisteren chemotherapie gehad. Je helpt bij het verschonen van het bed en ziet dat het beddengoed met urine is verontreinigd. Wat doe je?
het wasgoed eerst met warm water uitspoelen en daarna wassen.
Het wasgoed apart leggen en later samen met de andere was wassen.
Het wasgoed met handschoenen direct in een afgesloten zak doen.
Het wasgoed zonder handschoenen oppakken als je daarna je handen wast.
C is juist. Besmet wasgoed wordt met handschoenen gehanteerd en apart in een afgesloten plastic zak gedaan. Vanuit de zak gaat het rechtstreeks in de wasmachine. Volgens de theorie wordt het eerst koud gespoeld en daarna normaal gewassen.
Leerdoelcheck
Wat kun je na deze les?
Na deze les heb je basiskennis van:
COPD, diabetes, dementie, reuma, CVA en Parkinson;
het omgaan met ziektebeelden van cliënten;
oncologie, chemotherapie en bestraling;
veilig werken na chemotherapie en bestraling.
Hoe goed beheers je de leerdoelen van vandaag?
Nog onvoldoende | Een beetje | Voldoende | Goed
This item has no instructions
Huiswerk en volgende les
Huiswerk
Lees de theorie van hoofdstuk 5 Ziekten.
Maak de opdrachten van hoofdstuk 5.
Volgende week
Hoofdstuk 6 Medicatie
We gaan onder andere aan de slag met:
werking en bijwerkingen van medicatie;
verschillende soorten medicatie;
veilig omgaan met medicatie;
medicatie aanreiken en toedienen;
de rol en verantwoordelijkheid van de Helpende Plus.
This item has no instructions