Syntaxis hulpcollege 1

Syntaxis hulpcollege 1
1 / 32
next
Slide 1: Slide
NederlandsHBOStudiejaar 1

This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

Syntaxis hulpcollege 1

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Herhaling enkelvoudige zin (1 uur) +
verdieping aan de hand van werkvormen (1 uur) 



o Persoonsvorm
o Zinsdelen
o Onderwerp
o Gezegde: werkwoordelijk & naamwoordelijk

o Vragen?

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Zinsontleding
(= redekundig ontleden)

Wij benoemen de zinsdelen.
ow        pv 

---------------------------------------
Met de tekens van Paardekooper ziet dit er zo uit:
(Wij) | (benoemen) | de zinsdelen.

Woordsoortbenoeming
(= taalkundig ontleden)



Wij = persoonlijk voornaamwoord
benoemen = zelfstandig werkwoord
de = lidwoord
losse = bijvoeglijk naamwoord
woorden = zelfstandig naamwoord

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Hoe vind je de persoonsvorm?

Slide 5 - Open question

This item has no instructions

Wat zijn zinsdelen?

  • Je kunt een zin in stukken 'hakken': de zinsdelen
  • Deze stukken kunnen 1 woord zijn, maar ook twee of meer. 
  • Die woorden horen bij elkaar: je kunt er niets tussen zetten, afhalen of       wisselen zonder de betekenis van de zin te veranderen. 
  • Ze geven antwoorden op (denkbeeldige) vragen.
  • Alles wat vóór de persoonsvorm staat of kan staan is één zinsdeel.

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Is de zin juist verdeeld in zinsdelen?

In de avond | keerden | de jagers en hun vrouwen | altijd tevreden | terug.
A
juist
B
onjuist

Slide 7 - Quiz

This item has no instructions

Werkwoordelijk gezegde
Het werkwoordelijk gezegde (wwg) bestaat
uit alle werkwoorden in een zin.

Zoek eerst de pv en dan de andere werkwoordsvormen.


Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Alle mogelijke 
verschijningsvormen
van het
werkwoordelijk
gezegde.

Slide 9 - Slide

Julia vergist zich.
Fred schaamt zich.

vs.

Julia wast zich.
Fred scheert zich.

Verplicht tegenover niet-verplicht. wederkerend voornaamwoord.

Onderwerp, wat is het?
Het onderwerp is het deel van de zin dat aangeeft
wie of wat iets doet of wat er gebeurt.


Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Het onderwerp vinden
Getalsproef = congruentie
Verander in de zin de persoonsvorm van getal.
Het onderwerp verandert dan mee.



Voorbeeld
De arts gaf de gewonde patiënt zijn blijk van medeleven. 
De artsen gaven de gewonde patiënt ...


Slide 11 - Slide

Als je gaan in naar de tegenwoordige tijd enkelvoud verandert, namelijk gaat, dan kan er niet meer 'mijn ouders' staan, dat is namelijk meervoud. Dat kun je bijvoorbeeld vervangen door 'mijn moeder'.  Het onderwerp is het zinsdeel dat mee verandert met de persoonsvorm. 'mijn ouders' is dus het onderwerp van de zin 'Mijn ouders gaan op vakantie'. 

Let op
  • Het onderwerp van de zin hoeft niet per se  één persoon of ding te zijn. 

  • De hele omschrijving van de persoon of het ding is het onderwerp van de zin. Dus ook de  bijvoeglijk naamwoorden horen erbij. 

  • Een zin die in de gebiedende wijs staat
      heeft geen onderwerp.
    Laat dat liggen vs. Laat jij dat liggen.
    Vergis je niet!

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Uit hoeveel zinsdelen bestaat deze zin?
De trappers van de ketting van de assen van de spaken van de velg van de banden van de wielen van de fiets van Piet van pa zijn zojuist gepasseerd.

De mooie auto van mijn moeder, de allernieuwste Peugeot, heeft ontzettend veel geld gekost. 

Slide 13 - Slide

3
Wat is hier het onderwerp?
Het optreden van zijn dochter kon hij niet goed zien.

Slide 14 - Open question

This item has no instructions

Wat is hier het onderwerp?
Welke studenten hebben zich voor de bijles aangemeld?

Slide 15 - Open question

This item has no instructions

Wat is hier het onderwerp?

Wie heeft hem die vervelende roddel verteld?

Slide 16 - Open question

This item has no instructions

Wat is hier het onderwerp?
Er wordt een kopje koffie gedronken tijdens het afscheid van Jimmy.

Slide 17 - Open question

This item has no instructions

Naamwoordelijk gezegde
Het naamwoordelijk gezegde (nwg) bestaat
uit een (vervangend) koppelwerkwoord + eventueel hulpwerkwoord(en) + een naamwoordelijk deel in een zin.


(ZWABBELS HDV)





Slide 18 - Slide

Dat dunkt me onvoldoende.
Werkwoordelijk gezegde

DOE-predicatie

Pim is in de bijkeuken.
De zon schijnt fel in mijn ogen.
Het toetje viel op de grond.
De vrouw raakt de stoeprand.



Naamwoordelijk gezegde

IS-predicatie

Pim is in zijn nopjes.
De zon schijnt fel te zijn.
Het toetje viel zwaar.
De vrouw raakt zwanger.

Slide 19 - Slide


Daar bevindt hij zich - Dat is hij
Dat doet hij (licht geven) - Dat is hij
Dat deed hij (zwaar tillen) - Dat is hij
Dat doet hij (lijken op) - Dat is hij

Verschuifproef
De verschuifproef elimineert alle werkwoorden tot 1 persoonsvorm. Dit proces geeft inzicht in het redekundig ontleden:
werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde?

Bij meerdere werkwoorden in de zin is de pv nooit het koppelwerkwoord en ook niet het zww, maar altijd een hww.


Slide 20 - Slide

Deze proef is ook behulpzaam bij het taalkundig ontleden: hebben we te maken met een kww, hww of zww?
Schrijf de volgende 2 zinnen op en pas de verschuifproef toe:

1. Rosie schijnt dat onjuiste verhaal vorige week verteld te hebben.
2. Mijn oud-klasgenoot blijkt een groot voetballer te zijn geworden.

Slide 21 - Slide

This item has no instructions

Rosie schijnt dat onjuiste verhaal vorige week verteld te hebben.
Rosie heeft dat onjuiste verhaal vorige week verteld.
Rosie vertelde dat onjuiste verhaal vorige week.

Mijn oud-klasgenoot blijkt een groot voetballer te zijn geworden.
Mijn oud-klasgenoot is een groot voetballer geworden.
Mijn oud-klasgenoot werd een groot voetballer.

Slide 22 - Slide

This item has no instructions

Wat is hier het koppelwerkwoord?

Zij zal later een heel goede docent kunnen worden.

Slide 23 - Open question

This item has no instructions

Wwg of nwg?

Zij is geboren in Sittard.


Slide 24 - Slide

Als het een nwg zou zijn, dan zou het in de tegenwoordige tijd staan met 'is' als kww.
Als het een wwg zou zijn, dan is ‘is’ hww van tijd, en staat het in de voltooide tijd.

Hoe controleer je dit? Zet er een dubbelzinnige tijdsbepaling als ‘zaterdag’ bij.


Verdiepingsopdrachten

Slide 25 - Slide

This item has no instructions



                             Gebruik hiervoor twee kleuren markeerstiften.

Slide 26 - Slide

Bij zinnen met een 'zijn'- kern is het kernwoord een bijvoeglijk naamwoord of zelfstandig naamwoord.

Bij zinnen met een 'doen'-kern is het kernwoord een werkwoord.

Twijfel je? Gebruik de verschuifproef!

Slide 27 - Slide

This item has no instructions

Kernwoorden gebruiken om het gezegde te bepalen.

Slide 28 - Slide

This item has no instructions

Slide 29 - Slide

This item has no instructions

Nu jullie
Ga alleen, of in tweetallen, aan de slag met de zinnen die op het werkblad staan. Twijfel je?

1. Gebruik dan de wegstreepproef.
2. Probeer de zin steeds zó te reduceren dat je weer terug bij de kernwoorden bent (zoals je geleerd hebt in de kaartjesopdracht met de peutertaal).

Slide 30 - Slide

This item has no instructions

Zijn deze zinnen uit Praktische cursus zinsontleding nu nog lastig?

  • Door de wereldwijde daling van de aandelenkoersen zijn heel wat beleggers      depressief geraakt.
  • In de overdekte winkelparadijzen zou alles te koop zijn.
  • Boeken over zijn leven zijn in alle winkels te vinden.
  • De joodse wijk van Krakau blijkt vele synagogen te tellen.
  • Typerend voor Polen is de ongelooflijke gastvrijheid.

    Odd one out: welke zin hoort hier niet? Tip: kijk naar de soorten gezegden.

Slide 31 - Slide

zijn depressief geraakt = nwg (geraakt = kww)
zou te koop zijn = nwg (kww = zijn)
zijn te vinden = nwg (kww = zijn)
blijkt te tellen = wwg
is typerend voor Polen = nwg (kww = is)


Vragen?

Slide 32 - Slide

This item has no instructions