Opstelling voor fractionele destillatie (foto: Chemie-Verbände BW, CC BY 2.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · SCHEIDEN · ANALYSE
Examentraining
Scheiden en analyseren: zo pak je examenvragen aan
Opstelling voor fractionele destillatie (foto: Chemie-Verbände BW, CC BY 2.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · SCHEIDEN · ANALYSE
Examentraining
Scheiden en analyseren: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Chemie-Verbände Baden-Württemberg / Wikimedia Commons, CC BY 2.0
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · SCHEIDEN · ANALYSE
Wat ga je kunnen?
Ik kan een scheidingsmethode kiezen en beargumenteren, een Rf-waarde en een gaschromatogram gebruiken en een massaspectrum interpreteren.
This item has no instructions
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · SCHEIDEN · ANALYSE
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: welke stoffen, welke gegevens en welke vraag (kiezen, aflezen of berekenen)?
2. Zoek: op welke stofeigenschap verschillen de stoffen of wat meet de methode?
3. Reken of kies: werk met eenheden en let op het aantal significante cijfers.
4. Schrijf: een zin met methode, eigenschap en het woord omdat; controleer je uitkomst.
This item has no instructions
Opstelling voor fractionele destillatie (foto: Chemie-Verbände BW, CC BY 2.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · SCHEIDEN · ANALYSE
Vraagtype 1: methode kiezen
Noem de methode, het verschil in stofeigenschap en koppel het aan het proces.
Voorbeeld: vloeistoffen met een ander kookpunt scheid je door te destilleren.
Image credit: Chemie-Verbände Baden-Württemberg / Wikimedia Commons, CC BY 2.0
P (kookpunt 150 °C) is opgelost in S (80 °C). Hoe krijg je P?
Filtreren: P blijft op het filter achter
Extraheren: S is het extractiemiddel voor P
Destilleren: S verdampt eerst, P blijft over
Bezinken: P heeft een andere dichtheid dan S
Syllabus R&A2.2. Opgelost P gaat door elk filter heen; bezinken werkt alleen voor vaste deeltjes in een vloeistof. Met destilleren (of indampen) verdampt S, omdat het kookpunt lager is, en blijft P als residu achter. Verwachte fout: filtreren kiezen, omdat P vast lijkt.
Jood uit water halen met hexaan: welke methode?
Syllabus R&A2.1 en R&A2.2. Extraheren: jood lost veel beter op in hexaan dan in water (verschil in oplosbaarheid). Hexaan is het extractiemiddel; het mengt niet met water, dus je scheidt de twee lagen met een scheitrechter. Verwachte fout: alleen de methode noemen zonder de stofeigenschap, of destilleren noemen.
Chromatografieplaat met stof A en mengsel M, afstanden a en b (eigen figuur)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · SCHEIDEN · ANALYSE
Vraagtype 2: Rf-waarde bepalen
Meet vanaf de startlijn tot het midden van de vlek (a) en tot het front (b): Rf = a ÷ b.
Het front ligt 10,0 cm boven de start; vlek A en de onderste vlek van M liggen op 4,0 cm.
De bovenste vlek van M ligt op 7,2 cm; geef Rf in twee significante cijfers.
Image credit: Eigen figuur
Vlek op 7,2 cm, front op 10,0 cm. Bereken Rf.
Rf = 7,2 / 10,0 = 0,72. Controle: 0,72 × 10,0 = 7,2 (twee significante cijfers). Verwachte fout: 7,2 als Rf noemen of 10,0 / 7,2 = 1,4 berekenen, wat onmogelijk is omdat Rf kleiner is dan 1.
De onderste vlek van M ligt even hoog als vlek A. Wat concludeer je?
A zit niet in M: M heeft meer vlekken
A zit niet in M: de vlek ligt onder het front
A zit waarschijnlijk in M: gelijke Rf (0,40)
A zit niet in M: de banen zijn verschillend
Syllabus R&A2.3. Beide vlekken hebben Rf = 4,0 / 10,0 = 0,40. Gelijke Rf-waarde bij dezelfde loopvloeistof wijst op dezelfde stof, dus A zit waarschijnlijk in M (zeker weten doe je het pas met een tweede loopvloeistof of een andere analyse). Verwachte fout: denken dat meer vlekken in M betekent dat A er niet in kan zitten.
Gaschromatogram van een mengsel met drie stoffen (eigen figuur)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · SCHEIDEN · ANALYSE
Vraagtype 3: gaschromatogram
De piekoppervlakken van stof 1, 2 en 3 zijn 12, 6,0 en 18 (relatieve eenheden).
De detector meet alle stoffen per gram even sterk.
Een standaard van 8,0 mg L⁻¹ geeft oppervlak 20.
Image credit: Eigen figuur
Oppervlakken 12, 6,0 en 18. Massa-% van stof 3?
Totaal oppervlak = 12 + 6,0 + 18 = 36. Aandeel stof 3 = 18 / 36 × 100% = 50%. Controle: stof 3 heeft het grootste oppervlak, dus de helft is logisch. Verwachte fout: de piekhoogte gebruiken in plaats van het oppervlak.
Een monster geeft oppervlak 35. Welke concentratie heeft het?
14 mg L⁻¹
4,6 mg L⁻¹
35 mg L⁻¹
20 mg L⁻¹
Syllabus R&A2.1 (ijklijn) en R&A2.3. Het oppervlak is evenredig met de concentratie: 8,0 mg L⁻¹ geeft 20, dus 35 geeft 35 × 8,0 / 20 = 14 mg L⁻¹ (twee significante cijfers). Controle: 14 × 20 / 8,0 = 35. Fouten: 4,6 (verhouding omgedraaid: 8,0 × 20 / 35), 35 (oppervlak als concentratie lezen), 20 (oppervlak van de standaard).
Massaspectrum van magnesium met drie isotopen (eigen figuur)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · SCHEIDEN · ANALYSE
Vraagtype 4: massaspectrum
Magnesium geeft pieken bij m/z 24, 25 en 26 met relatieve hoogtes 100, 12,7 en 13,9.
Reken met massa's van 24, 25 en 26 u.
Aandeel van een isotoop = hoogte ÷ som van de hoogtes.
Geef de uitkomst in drie significante cijfers.
Image credit: Eigen figuur
Mg-pieken 24, 25, 26: 100; 12,7; 13,9. Massa?
Som van de hoogtes = 100 + 12,7 + 13,9 = 126,6. Gemiddelde massa = (24 × 100 + 25 × 12,7 + 26 × 13,9) / 126,6 = 3078,9 / 126,6 = 24,3 u. Controle: tussen 24 en 26, dicht bij 24 omdat die piek het hoogst is. Verwachte fout: (24 + 25 + 26) / 3 = 25,0, waarbij het voorkomen vergeten is.
Chloorethaan (één Cl) geeft pieken bij 64 en 66. Welke hoogteverhouding?
1 : 1, want beide isotopen zijn even talrijk
1 : 3, want ³⁷Cl is zwaarder, dus talrijker
9 : 1, want er zijn twee soorten isotopen
3 : 1, want ³⁵Cl komt vaker voor
Syllabus R&A2.4. C₂H₅Cl: 29 + 35 = 64 en 29 + 37 = 66. ³⁵Cl komt ongeveer drie keer zo vaak voor als ³⁷Cl, dus de piek bij 64 is ongeveer drie keer zo hoog als die bij 66. Verwachte fout: 1 : 1, het patroon van broom.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Methode kiezen en beargumenteren
Een Rf-waarde bepalen
Een gaschromatogram gebruiken
Een massaspectrum interpreteren
This item has no instructions
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · SCHEIDEN · ANALYSE
Tips voor op het examen
Noem bij elke scheidingsmethode ook het verschil in stofeigenschap en koppel het aan het proces.
Gebruik bij een chromatogram het piekoppervlak, niet de hoogte, en controleer of de som 100% is.
Bij isotopen: aandeel = hoogte gedeeld door de som van de hoogtes, daarna massa × aandeel optellen.
This item has no instructions