Verdedigen tegen ziekte: afweer en immuniteit

Verdedigen tegen ziekte: afweer en immuniteit

1 / 24
next
Slide 1: Slide
New lesson editorVerpleging en verzorgingMBOStudiejaar 2

This lesson contains 24 slides, with interactive quiz and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min
Report this lesson

Items in this lesson

Verdedigen tegen ziekte: afweer en immuniteit

Wat weet je al over het afweersysteem van het lichaam?

Waarom is afweer belangrijk?

Ons lichaam wordt dagelijks bedreigd door ziekteverwekkers zoals virussen en bacteriën. Dankzij een slim afweersysteem blijven we meestal gezond.



Wat zijn ziekteverwekkers?

Ziekteverwekkers zijn virussen, bacteriën, schimmels, parasieten en giftige stoffen die het lichaam kunnen binnendringen en schade veroorzaken.

Twee verdedigingssystemen

Het lichaam heeft twee verdedigingssystemen:

  • de aspecifieke (algemene) afweer

  • specifieke (gerichte) immuniteit

Aspecifieke afweer: de eerste linie

Huid en slijmvliezen vormen de eerste barrière tegen indringers. Slijm, traanvocht en speeksel helpen mee ziekteverwekkers te verwijderen.

Goede bacteriën op en in ons lichaam

De huid, de darmen en de vagina zitten vol met ‘goede’ bacteriën. Ze helpen ziekteverwekkers tegenhouden.

Tweede afweerlinie: interne verdediging

Toch breken ziekteverwekkers soms door de eerste afweerlinie heen, bijvoorbeeld via een wondje in de huid. Ze komen dan in het inwendige milieu van het lichaam terecht.


Dan treedt de tweede afweerlinie in werking.

Indringers binnengekomen? Dan komen granulocyten, macrofagen, killercellen en interferonen in actie.

Granulocyten en macrofagen


Deze witte bloedcellen ‘eten’ ziekteverwekkers op en ruimen ze op in het lichaam.

Killercellen en interferonen

Killercellen doden aangetaste lichaamscellen en ruimen abnormale lichaamscellen op die zouden kunnen ontaarden in tumorcellen.


Interferonen zijn alarmstoffen die witte bloedcellen aantrekken. Ze kunnen de aangetaste lichaamscel niet redden, maar trekken fagocyterende witte bloedcellen aan.

Ontsteking als afweer

Kernmerken

Functie

Roodheid, warmte, zwelling, pijn, pus en gestoorde functie zijn typische ontstekingsverschijnselen. Een ontsteking is een natuurlijke en noodzakelijke reactie van een weefsel dat beschadigd is.

Ontstekingen helpen het lichaam bij het opruimen van ziekteverwekkers en beschadigde cellen.


wond (beschadigde cellen) - alarmstoffen (histamine) - bloedvatverwijding - betere doorbloeding - weefselvocht (met afweercellen) - witte bloedcellen vechten met indringers - pus (resten dode cellen en ziekteverwekkers)

De rol van koorts

Koorts (temperatuur hoger dan 38 graden C.) remt de groei van ziekteverwekkers en versnelt afweerprocessen. Het is vaak een nuttig waarschuwingssignaal.

Specifieke afweer: immuniteit

Het immuunsysteem maakt het lichaam minder vatbaar of immuun voor ziekteverwekkers door te reageren op specifieke antigenen.


Antigenen: stoffen die een afweerreactie van het immuunsysteem uitlokken

Lymfocyten: B- en T-cellen

Vernietigen direct zieke of afwijkende cellen (cellulaire immuniteit).

T-lymfocyten

Maken antistoffen tegen ziekteverwekkers voor de zogenaamde humorale immuniteit.



B-lymfocyten

Hoe werkt immuniteit?

Na contact met een ziekteverwekker onthouden geheugen-B- en T-cellen het antigeen. Bij een volgende besmetting reageert je lichaam sneller.

Immunisatie: actief en passief

In de loop van je leven bouw je immuniteit op voor allerlei ziekteverwekkers. Het opbouwen van immuniteit noem je immunisatie.


Bij vaccinatie wordt het immuunsysteem geactiveerd (actief). Via antistoffen van buitenaf (bijvoorbeeld via de placenta) ontstaat passieve immunisatie.


Vaccinaties beschermen

Vaccinaties brengen verzwakte ziekteverwekkers in om actieve immuniteit op te bouwen.

Bloedgroepen: AB0-systeem

Bij verkeerde combinatie kan het immuunsysteem het donorbloed afstoten.

Rode bloedcellen dragen verschillende antigenen. Je bloedgroep bepaalt welke antistoffen je hebt.

Belangrijk bij transfusies

A, B, AB en 0

Rode bloedcellen hebben aan de buitenkant bepaalde membraaneiwitten. Je noemt ze bloedantigenen. Een bloedtransfusie is alleen mogelijk wanneer de ontvanger geen antistoffen heeft tegen de bloedantigenen van de donor.


  • alleen A-antigeen = bloedgroep A;

  • alleen B-antigeen = bloedgroep B;

  • zowel A-antigeen als B-antigeen = bloedgroep AB;

  • geen antigeen = bloedgroep 0 (nul).

De vier mogelijke combinaties en hun bloedgroepen zijn:

Resusbloedgroep: Rh+ of Rh-

Het resusantigeen op rode bloedcellen leidt bij mismatch tot problemen bij transfusies of zwangerschap. Wanneer je bloed met een bepaalde bloedgroep aan iemand geeft die antistoffen tegen dat bloed heeft, wordt het gedoneerde bloed afgebroken. De antistoffen veroorzaken klontering van het gedoneerde bloed.