1.4 Help, de prijzen stijgen! deel 1

H1 Inkomen en welvaart


§ 1.1 Hoe besteed jij je geld?
§ 1.2 Niet ieder inkomen is hetzelfde.
§ 1.3 Wat bepaalt je welvaart?
§ 1.4 Help, de prijzen stijgen! deel 1
1 / 32
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolvmbo gLeerjaar 4

This lesson contains 32 slides, with text slides and 4 videos.

time-iconLesson duration is: 50 min
Report this lesson

Items in this lesson

H1 Inkomen en welvaart


§ 1.1 Hoe besteed jij je geld?
§ 1.2 Niet ieder inkomen is hetzelfde.
§ 1.3 Wat bepaalt je welvaart?
§ 1.4 Help, de prijzen stijgen! deel 1

Slide 1 - Slide

We gaan beginnen!
Op tafel: 
je boek, 
een schrift, 
een pen én 
je rekenmachine

Slide 2 - Slide

§ 1.4 Opbouw van de les
Herhaling vorige les: indexcijfers
      5 min
Lesdoelen
      5 min
Uitleg 
     10 min
Opgaven maken + bespreken
     15 min
Aan de slag!
     10 min
Afsluiting
       5 min

Slide 3 - Slide

Herhaling indexcijfers
Indexcijfer = (nieuw getal ÷ getal basisjaar) × 100
indexcijfer in het basisjaar = 100
indexcijfer in het basisjaar = 100

Slide 4 - Slide

Herhaling indexcijfers
Indexcijfer = (nieuw getal ÷ getal basisjaar) × 100
indexcijfer in het basisjaar = 100
Voorbeeld: in het basisjaar kost een 
e-bike € 2.890. In 2026 is de prijs van dezelfde e-bike gedaald naar € 2.750. Bereken het indexcijfer van 2026.
Rond je antwoord af op één decimaal.
Antwoord:

Slide 5 - Slide

Herhaling indexcijfers
Indexcijfer = (nieuw getal ÷ getal basisjaar) × 100
Voorbeeld: in het basisjaar kost een 
e-bike € 2.890. In 2026 is de prijs van dezelfde e-bike gedaald naar € 2.750. Bereken het indexcijfer van 2026.
Rond je antwoord af op één decimaal.
Antwoord:
(2.750 ÷ 2.890) × 100 = 95,15... --> 95,2
conclusie
de prijs is gedaald met&nbsp;<div>100 - 95,2 = 4,8% t.o.v. het basisjaar</div>
indexcijfer in het basisjaar = 100

Slide 6 - Slide

Aan het eind van deze les kun je:
  • de betekenis van koopkracht aangeven;
  • de oorzaken van inflatie benoemen;
  • het consumentenprijsindexcijfer (cpi) en de inflatie berekenen.

DE LESDOELEN
GOAL!

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

Koopkracht
= de hoeveelheid goederen en diensten die je 
met je inkomen kunt kopen.

Je koopkracht hangt af van:
  • de hoogte van je inkomen;
  • de hoogte van de prijzen.

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Video

Slide 11 - Video

Inflatie
= een algemene prijsstijging van goederen en diensten.

Door inflatie wordt de koopkracht

Het geld wordt dus minder waard --> geldontwaarding.   

Het tegenovergestelde van inflatie noemen we deflatie.
groter of kleiner?
kleiner
...

Slide 12 - Slide

marktwerking (goederen & diensten)
Prijs stijgt als: aanbod daalt of vraag stijgt.<div>Prijs daalt als: aanbod stijgt of vraag daalt.</div>

Slide 13 - Slide

cpi = consumentenprijsindexcijfer
geeft de prijsontwikkeling van consumentenprijzen weer  -->
hiermee bepaalt het CBS hoe hoog de inflatie is.









Slide 14 - Slide

cpi = consumentenprijsindexcijfer
Het cpi is een samengesteld gewogen indexcijfer! 





<span style="font-weight: bold">gewogen,&nbsp;</span><span style="font-weight: bold">omdat de ene artikelgroep zwaarder meetelt dan de andere artikelgroep. De artikelgroep waar een gezin het meeste geld uitgeeft, krijgt de hoogste wegingsfactor.</span>
<span style="font-weight: bold">samengesteld, omdat het cpi is samengesteld uit verschillende artikelgroepen</span>

Slide 15 - Slide

dus: 'samengesteld'

Slide 16 - Slide

dus: 'gewogen'

Slide 17 - Slide

dus: samengesteld gewogen cpi



Slide 18 - Slide

Hoe bereken je het cpi?
Drie stappen:
1. Vermenigvuldig per productgroep het prijsindexcijfer met de wegingsfactor.
2. Tel alle uitkomsten daarvan bij elkaar op.
3. Deel dit totaal door het totaal van alle wegingsfactoren.



Slide 19 - Slide

Hoe bereken je het cpi?
Drie stappen:
1. Vermenigvuldig per productgroep het prijsindexcijfer met de wegingsfactor.
2. Tel alle uitkomsten daarvan bij elkaar op.
3. Deel dit totaal door het totaal van alle wegingsfactoren.



Blz. 33
opg.13

Slide 20 - Slide

Hoe bereken je het cpi?
Drie stappen:
1. Vermenigvuldig per productgroep het prijsindexcijfer met de wegingsfactor.
2. Tel alle uitkomsten daarvan bij elkaar op.
3. Deel dit totaal door het totaal van alle wegingsfactoren.



Blz. 33
opg.13

Slide 21 - Slide

§ 1.4 Opbouw van de les
Herhaling vorige les: indexcijfers
      5 min
Lesdoelen
      5 min
Uitleg 
     10 min
Opgaven maken + bespreken
     15 min
Aan de slag!
     10 min
Afsluiting
       5 min

Slide 22 - Slide

Maken: opgave 3 + 4 (blz. 23)
 Drie stappen:
 1. Vermenigvuldig per productgroep het prijsindexcijfer met de wegingsfactor.
 2. Tel alle uitkomsten daarvan bij elkaar op.
 3. Deel dit totaal door het totaal van alle wegingsfactoren.



Slide 23 - Slide

Opgave 3 (blz. 23)
  • a  Aan kleding. Hier is de wegingsfactor het laagst.
  • b  Met 2%. Prijsindexcijfer van 100 naar 102.
  • c  Voeding is iets goedkoper geworden. Prijsindexcijfer van 100 naar 99).


Slide 24 - Slide

Opgave 4 a + b (blz. 23)

Slide 25 - Slide

Opgave 4 a + b (blz. 23)
×
=
  ________ +
  _____ +

Slide 26 - Slide

Opgave 4 c + d (blz. 23)
  • c  Het cpi is 10.178 ÷ 100 = 101,78
  • d  De inflatie is 101,78 - 100 = 1,78% 


Slide 27 - Slide

Aan de slag! Jij kiest:
Maken: § 1.4
opg. 1 + 2 (blz. 22)
Zelf nakijken via Magister ELO Studiewijzers
De theorie
Maken: § 1.4
opg. 5 (blz. 24)
Rekenen
timer
10:00

Slide 28 - Slide

Aan de slag!
Maken: par. 1.4
opg. 1, 2 en 5 (blz. 22)
Zelf nakijken via Magister ELO Studiewijzers

Slide 29 - Slide

Slide 30 - Video

Slide 31 - Video

Slide 32 - Slide