Bindingen en sociale cohesie (Maatschappijwetenschappen havo), les 2: Examentraining

BINDING · SOCIALE COHESIE

Examentraining

Bindingen en sociale cohesie: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
next
Slide 1: Slide
New lesson editorMaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Examentraining: bindingen classificeren, groepen en cohesie, cohesie en controle verbinden en kenmerken van een institutie herkennen.

Items in this lesson

BINDING · SOCIALE COHESIE

Examentraining

Bindingen en sociale cohesie: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Fotopersbureau de Boer, Noord-Hollands Archief / Wikimedia Commons, CC0

BINDING · SOCIALE COHESIE

Wat ga je kunnen?

Ik kan bindingen en niveaus herkennen in een casus en het verband tussen cohesie, controle en instituties uitleggen.

This item has no instructions

BINDING · SOCIALE COHESIE

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wat vraagt de vraag: noem, herken, leg uit of verklaar?

  • 2. Zoek: welk concept zit in de casus? Onderstreep de aanwijzing.

  • 3. Maak concreet: haal een zin of gegeven uit de casus en koppel het aan de omschrijving van het concept.

  • 4. Schrijf: concept, aanwijzing uit de casus, conclusie. Alleen een definitie opschrijven is te weinig.

This item has no instructions

BINDING · SOCIALE COHESIE

Vraagtype 1: bindingen classificeren

  • Je krijgt een casus en bepaalt het type binding en het niveau.

  • Vraag je af: waarvan zijn mensen hier afhankelijk? Geld, macht, kennis of gevoel?

  • Bepaal daarna het niveau: individu, groep of organisatie, of samenleving.

This item has no instructions

Een bakker en klanten hangen af van brood en inkomen. Welke binding?

A

Een cognitieve binding

B

Een politieke binding

C

Een economische binding

D

Een affectieve binding

Syllabus 14.1: economische bindingen gaan over schaarse goederen en het geld om ze te verwerven. Verwachte fout: affectief, omdat klanten de bakker aardig vinden. De casus noemt brood en inkomen.

Welk niveau: bindingen binnen een sportclub?

Goed antwoord: mesoniveau, want het gaat om bindingen binnen een groep of organisatie. Verwachte fout: macroniveau kiezen omdat de club veel leden heeft.

Feyenoord-supporters op het Hofplein in Rotterdam, 2017

BINDING · SOCIALE COHESIE

Vraagtype 2: groepen en cohesie

  • Je moet uitleggen wat sterke of zwakke cohesie betekent voor een groep of de samenleving.

  • Gebruik: aantal en kwaliteit van bindingen, groepsgevoel, verantwoordelijkheid voor elkaar.

  • Let op het verschil tussen cohesie binnen een groep en cohesie in groter verband.

Image credit: Wouter Engler / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Twee supportersgroepen zijn intern hecht maar vijandig. Wat is het gevolg?

A

De cohesie in groter verband groeit vanzelf

B

De cohesie in groter verband kan verzwakken

C

Er is geen sprake van groepsvorming

D

De sociale controle verdwijnt volledig

Syllabus 14.3: sterke cohesie binnen bepaalde groepen kan tot conflicten tussen groepen leiden, waardoor de cohesie in groter verband verzwakt. Verwachte fout: denken dat hechte groepen altijd goed zijn voor de samenleving.

Ali wordt geweigerd om zijn afkomst. Vorm?

Goed antwoord: niet (meer) bij de groep mogen horen, door uitsluiting en discriminatie (syllabus 14.2). Verwachte fout: niet willen horen; Ali kiest er zelf niet voor.

Zitting van de arrondissementsrechtbank in de Jansstraat, Haarlem, 1953

BINDING · SOCIALE COHESIE

Vraagtype 3: cohesie en controle verbinden

  • Je legt het verband tussen sociale cohesie en sociale controle.

  • Bij hoge cohesie passen leden zich aan. Groepen gebruiken controle om afwijkend gedrag en uittreden te verminderen.

  • Noem ook formeel of informeel en een gevolg van de controle.

Image credit: Cees de Boer, Noord-Hollands Archief / Wikimedia Commons, CC0

In een hecht dorp spreken buren afwijkers aan. Wat verklaart dit het best?

A

Hoge cohesie maakt controle overbodig

B

Informele controle is een sociale institutie

C

Buren oefenen hier formele controle uit

D

Hoge cohesie gaat samen met informele controle

Syllabus 14.2 en 14.4: bij hoge cohesie passen leden zich aan en groepen proberen afwijkend gedrag te verminderen door sociale controle; buren die spontaan aanspreken oefenen informele controle uit. Verwachte fout: formele controle, omdat er regels worden gehandhaafd.

Hoe hangt controle samen met cohesie?

Goed antwoord: sociale controle bewaart de cohesie doordat groepen afwijkend gedrag en uittreden tegengaan; bij een hoge cohesie passen leden zich eerder aan de normen aan. Verwachte fout: alleen de definitie van controle geven.

BINDING · SOCIALE COHESIE

Vraagtype 4: kenmerken van een institutie

  • Je geeft voorbeelden van kenmerken van een sociale institutie in een casus.

  • Zoek kenmerken: buiten het individu, lange traditie, stabiel maar veranderlijk, moreel gezag, dwingend.

  • Noem het kenmerk en het bewijs uit de casus.

This item has no instructions

Niemand kan het huwelijk alleen afschaffen. Welk kenmerk is dit?

A

Ze hebben een lange traditie

B

Ze zijn veranderlijk door de tijd

C

Ze berusten op moreel gezag

D

Ze bestaan buiten het individu om

Syllabus 14.5: instituties bestaan buiten het individu om; een enkel persoon kan een institutie niet afschaffen. Verwachte fout: lange traditie, omdat het huwelijk oud is. De casus gaat over wat één persoon kan.

Noem een kenmerk van een sociale institutie.

Goed antwoord: een van buiten het individu om, lange traditie, vrij stabiel maar veranderlijk, moreel gezag, of dwingend (gedrag wordt beloond of bestraft). Verwachte fout: zeggen dat een institutie een gebouw is.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Bindingen classificeren

2

Groepen en cohesie

3

Cohesie en controle verbinden

4

Kenmerken van een institutie

Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen eerst en laat een leerling de vier stappen voordoen.

BINDING · SOCIALE COHESIE

Tips voor op het examen

  • Schrijf nooit alleen de definitie op: koppel het concept altijd aan een gegeven uit de casus.

  • Bij bindingen: vraag je af waarvan mensen afhankelijk zijn en kies het type dat het best past.

  • Vergeet het niveau niet: individu is micro, groep of organisatie is meso, samenleving is macro.

  • Bij controle: bepaal of iemand een formele taak heeft of spontaan optreedt.

This item has no instructions