Chapter 3, lesson 5

Learning targets:

  • I can write about everyday aspects of your environment in connected sentences.
  • I can give detailed descriptions of familiar subjects.
  • I can judge a source's reliability.
  • I understand that there is a thing called fake news

Programma:

  • Read your book
  • Check lesson 4
  • Grammar explanation about can, could, may, might, have to, must, should
  • Start lesson 5
  • Make the grammar hand-outs
  • Study the words.
  • Make the Versterk Jezelf and Test Jezelf in preparation of the test



1 / 14
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

This lesson contains 14 slides, with text slides and 1 video.

Items in this lesson

Learning targets:

  • I can write about everyday aspects of your environment in connected sentences.
  • I can give detailed descriptions of familiar subjects.
  • I can judge a source's reliability.
  • I understand that there is a thing called fake news

Programma:

  • Read your book
  • Check lesson 4
  • Grammar explanation about can, could, may, might, have to, must, should
  • Start lesson 5
  • Make the grammar hand-outs
  • Study the words.
  • Make the Versterk Jezelf and Test Jezelf in preparation of the test



Slide 1 - Slide

(zou) kunnen, (zou) mogen
(zou) kunnen
Je kunt can, could, may of might gebruiken
Can- kan (is waarschijnlijk)         It can become very hot in Australia.
Could- zou kunnen, kon (vt) en ook beleefde vorm (iets minder waarschijnlijk.     It could become very cold tomorrow.
May- kan (nog minder waarschijnlijk) of mag.    It may become hot tomorrow, but only if the sun manages to come out.     You may go outside after you've finished your homework.
Might - kan (zo goed als onwaarschijnlijk) of zou mogen.    It might become hot tomorrow, but since it's still winter, it's unlikely.   I might come to your party, but I still have to ask my parents.

Slide 2 - Slide

(zou) kunnen, (zou) mogen
(zou) kunnen
Je kunt can, could, may of might gebruiken
Can- kan (is waarschijnlijk)         It can become very hot in Australia.
Could- zou kunnen, kon (vt) en ook beleefde vorm (iets minder waarschijnlijk.     It could become very cold tomorrow.
May- kan (nog minder waarschijnlijk) of mag.    It may become hot tomorrow, but only if the sun manages to come out.     You may go outside after you've finished your homework.
Might - kan (zo goed als onwaarschijnlijk) of zou mogen.    It might become hot tomorrow, but since it's still winter, it's unlikely.   I might come to your party, but I still have to ask my parents.

Slide 3 - Slide

Je hebt het vermogen, de vaardigheid, of de mogelijkheid om iets te doen.
Can gebruik je dan alleen bij de present simple. I can help you
Could gebruik je voor iets dat je mogelijk kan doen of in de verleden tijd. I could do the split when I was 10.
To be able to kun je met elke tijd gebruiken (ook toekomst en voltooid)
She is able to help us (ze kan ons helpen)
She was able to help us (ze kon ons helpen)
She has been able to help us (ze heeft ons kunnen helpen)
She will be able to help us (ze zal ons kunnen helpen)

Slide 4 - Slide

Toestemming
Om aan te geven dat iets van iemand mag kun je can, could, may of be allowed to gebruiken.
Can gebruik je alleen in de present simple.
Could gebruik je als vt voor can
May is formeler
to be allowed to kan met alle tijden gebruikt worden.
I am allowed to go to the party. (Ik mag naar het feestje)
I was allowed to go to the party. (Ik mocht naar het feestje)
I have been allowed to stay up after 9 since I was 12 (Ik mocht al na 9 uur opblijven sinds ik 12 was)
I will be allowed to use my parents' car when I get my drivers license.

Slide 5 - Slide

Have to
Als je wilt zeggen dat iets moet, het is noodzakelijk.
Dit is informeel
You have to make your homework.

Slide 6 - Slide

Must
Als je wilt zeggen dat iets moet, het is noodzakelijk. 
Formeler dan have to. 
Om te benadrukken dat het echt belangrijk is
Het moet wel zo zijn, het kan niet anders. 
You must study for a test. 

Slide 7 - Slide

Should
Betekent zou moeten. 
Gebruik je als je advies geeft. 

Slide 8 - Slide

Future tense
Will/ Shall + hele werkwoord
  • Bij spontaan besluit, weigering, verzoek, voorstel, belofte.
(Someone drops an entire bucket of marbles accidentally.) "Don't worry, I will help you."
  • Als het plan ontstaat tijdens het gesprek. 
(You hang out with some friends and you are discussing what to do.) "Shall we go to the cinema?"
  • Voorspelling gebaseerd op mening
(You think your English sucks, but never had a test before this.) "I don't think I will get a good mark for English."

Slide 9 - Slide

Future tense
To be going to + hele werkwoord
  • Als iets zeker gaat gebeuren.
(You see some thunderclouds approaching.) "Look! It is going to rain."
  • Als het plan er al is voor het gesprek plaats vindt. 
(You've bought tickets.) "We are going to go to the cinema."
  • Voorspelling gebaseerd op een aanwijzing. 
(You forgot to study for the test and you're not good at the subject.) "I am going to get a bad mark for English."

Slide 10 - Slide

Future tense
Present Continuous
  • Bij persoonlijke plannen die zeker gaan gebeuren. 
Vaak kun je to be going to en de present continuous gebruiken.
Let op het verschil!
We are going to go to the cinema / We are going to the cinema (beide goed.)

Slide 11 - Slide

Future tense
Present simple
  • Voor dingen die volgens een schema, rooster, dienstregeling gaan.
The train leaves at 9:00
The film begins at 7:00
School starts at 8:45

Slide 12 - Slide

Kahoot

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Video