Eiwitten, suikers en vetten (Scheikunde vwo), les 3: Terugblik quiz

Zonlicht door het bladerdak van een moerbeiboom (foto: Loadmaster, CC BY-SA 3.0)

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · LEVEN · BIOMOLECULEN

Quiz

Terugblik: Eiwitten, suikers en vetten

1 / 14
next
Slide 1: Slide
New lesson editorScheikundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min
Report this lesson

Introduction

Quiz van 11 vragen over fotosynthese, koolhydraten, eiwitstructuren, vetten, afbraak en enzymwerking.

Items in this lesson

Zonlicht door het bladerdak van een moerbeiboom (foto: Loadmaster, CC BY-SA 3.0)

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · LEVEN · BIOMOLECULEN

Quiz

Terugblik: Eiwitten, suikers en vetten

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Loadmaster (David R. Tribble) / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0

In welke vorm is de energie van het zonlicht na fotosynthese vastgelegd?

A

Warmte in het gevormde water

B

Elektrische energie in de cel

C

Bewegingsenergie van O₂

D

Chemische energie in glucose

Syllabus L1.2. Lichtenergie wordt omgezet in chemische energie, opgeslagen in de bindingen van glucose. Verwachte fout: warmte kiezen.

Hoe heet het vastleggen van CO₂ in glucose bij fotosynthese?

A

Gaswisseling

B

Koolstofassimilatie

C

Spijsvertering

D

Ademhaling

Syllabus L1.2: vastleggen van koolstofdioxide/koolstofassimilatie. Gaswisseling is alleen de uitwisseling van O₂ en CO₂ met de omgeving, ademhaling zet glucose juist weer om in CO₂ en spijsvertering breekt voedingsstoffen af. Verwachte fout: gaswisseling kiezen omdat CO₂ wordt opgenomen.

Vul in

Glucose en fructose vormen samen sacharose, een disacharide, waarbij ook H₂O ontstaat.

fructose
disacharide
H₂O
zetmeel
CO₂

Syllabus L1.3. Verwachte fout: zetmeel als bouwsteen van sacharose noemen.

Twee eiwitten hebben dezelfde aminozuren in een andere volgorde. Wat verschilt?

A

Het aantal peptidebindingen

B

De molecuulformule van de aminozuren

C

De primaire structuur

D

De massa van het eiwit

Syllabus L1.3. De volgorde van de aminozuren is de primaire structuur. Aantal bindingen, aminozuren en massa zijn gelijk.

Welke groepen vormen de waterstofbrug in een bètaplaat?

A

N–H en O=C

B

C–H en O=C

C

N–H en C=C

D

S–H en N–H

Syllabus L1.3. De waterstofbrug ligt tussen H van N–H en O van C=O van peptidebindingen in naast elkaar liggende ketenstukken.

Zet op volgorde: van voedsel tot eigen eiwit

1

Eiwit uit het voedsel

2

Opbouw van eigen eiwit

3

Transport via het bloed

4

Hydrolyse tot aminozuren

Syllabus L1.4. Afbraak tot bouwstenen, transport, opbouw van lichaamseigen stoffen.

Welke formule heeft de triglyceride van glycerol en drie oliezuur?

A

C₅₇H₁₁₀O₉

B

C₅₇H₁₀₄O₆

C

C₅₇H₁₁₀O₆

D

C₅₇H₁₀₄O₉

Syllabus L1.3. C₃H₈O₃ + 3 C₁₈H₃₄O₂ = C₅₇H₁₁₀O₉; min 3 H₂O geeft C₅₇H₁₀₄O₆. Fout C₅₇H₁₁₀O₉: geen H₂O afgesplitst. Fout C₅₇H₁₁₀O₆: formule van tristearine. Fout C₅₇H₁₀₄O₉: alleen de H-atomen van H₂O afgetrokken.

Welke twee functies hebben vetten in het lichaam?

A

Enzym en bouwstof in membranen

B

Bouwstof in spieren en energieopslag

C

Informatiedrager en enzym in de cel

D

Energieopslag en bouwstof in membranen

Syllabus L1.5. Vetten: energieopslag en bouwstof in membranen. Spieren bestaan vooral uit eiwit; enzymen zijn eiwitten.

Wat gebeurt er met het enzym na afsplitsing van het product?

A

Het blijft ongewijzigd en bindt opnieuw

B

Het wordt in het product ingebouwd

C

Het blijft aan het product vastzitten

D

Het wordt afgebroken tot aminozuren

Syllabus L2.1. Een enzym is een biokatalysator en wordt niet verbruikt.

Waarom bindt een glucose-enzym geen fructose?

Syllabus L2.2. Fructose heeft dezelfde formule maar een andere ruimtelijke structuur en andere plaats van de functionele groepen; het past niet in de actieve plaats en bindt niet (specificiteit). Verwachte fout: alleen zeggen dat het een ander molecuul is.

Waardoor heeft de actieve plaats van een enzym een vaste vorm?

A

Door de primaire structuur van het substraat

B

Door de peptidebindingen van het product

C

Door de tertiaire structuur van het eiwit

D

Door de C=C-bindingen in de restgroepen

Syllabus L2.2 en L1.3: de ruimtelijke structuur van de actieve plaats komt uit de tertiaire structuur (bindingen tussen restgroepen). Verwachte fout: de structuur van het substraat kiezen; het substraat moet juist passen bij de vorm die het enzym al heeft.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · LEVEN · BIOMOLECULEN

Goed gedaan!

Je weet nu hoe organismen glucose maken, hoe eiwitten, suikers en vetten gebouwd zijn en hoe enzymen reacties versnellen.

This item has no instructions