Anatomie van het afweersysteem

Anatomie van het afweersysteem
Deel 01-07
1 / 33
next
Slide 1: Slide
VerzorgendeMBOStudiejaar 1

This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

Items in this lesson

Anatomie van het afweersysteem
Deel 01-07

Slide 1 - Slide

Inhoud les
  • Verschillende soorten afweer
  • Immunisatie
  • Ontsteking
  • Lymfe
  • Bloedgroepen en resus 

Slide 2 - Slide

Lesdoel
De student kan na het volgen van deze les;
  • Het verschil benoemen tussen specifieke en niet specifieke afweer
  • Wat wordt verstaan onder actieve en passieve immunisatie
  • Onstekingsverschijnselen
  • Wat een lymfe is
  • verschillende bloedgroepen

Slide 3 - Slide

Afweersysteem
  • Beschermt je lichaam tegen ziekteverwekkers zoals: 
  • Bacteriën
  • Virussen
  • Schimmels
  • Parasieten

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Video

Eerste verdedigingslinie + onderdeel van niet-specifieke afweer
  • De huid (tastbaar en niet tastbaar, lage PH en huidflora).
  • Het spijsverteringskanaal (enzymen in speeksel, maagzuur, darmflora).
  • Tranen.
  • Neusharen.
  • Trilharen van de epitheelcellen in keelholte.
  • Urine en flora van de vagina

Slide 6 - Slide

Herkennen van ziekteverwekkers
  • Afweersysteem kan zien of cellen/moleculen lichaamseigen of lichaamsvreemd zijn.
  • Op ziekteverwekkers zijn bepaalde moleculen aanwezig: 
  • Antigenen --> worden herkend als lichaamsvreemd --> zet afweer in gang.

Slide 7 - Slide

Niet-specifieke afweer
  • Aangeboren
  • Verschillende witte bloedcellen vormen de interne niet-specifieke afweer (monocyten, neutrofielen, eosinofielen, basofielen, naturalkiller-cellen). 
  • Witte bloedcellen vernietigen ziekteverwekkers op dezelfde manier -> zij  fagocyteren de ziekteverwekker of lichaamsvreemde cel. De witte bloedcel die dit kan noemen we een fagocyt.

Slide 8 - Slide

Waartoe rekenen we de huid?
A
Niet-specifieke afweer
B
Eerste verdedigingslinie
C
Beide antwoorden zijn goed
D
Beide antwoorden zijn fout

Slide 9 - Quiz

De afweer van het lichaam tegen alle mogelijke ziekteverwekkers noemen we?
A
Niet-specifieke afweer
B
Specifieke afweer
C
Uitwendige afweer
D
Inwendige afweer

Slide 10 - Quiz

Specifieke afweer
  • Niet aangeboren
  • Ontwikkelt zich als je te maken krijgt met antigenen van ziekteverwekkers.  
  • Na eerste aanval -> bereidt de specifieke afweer zich voor op een volgende aanval -> volgende aanval reageert immuunsysteem sneller en effectiever (geheugen). 
  • Richt zich specifiek op 1 bepaalde ziekteverwekker. 

Slide 11 - Slide

Hoe doet de specifieke afweer dat dan?




  • Inzet dendritische cellen
  • Antilichamen (immunoglobulinen) 

Slide 12 - Slide

Dendritische cellen
  • Nemen antigenen op en breken ze in kleine stukjes.
  • De dendritische cel neemt daarna het antigeen mee naar het lymfe om het daar te 'presenteren' waarna een immuunreactie op gang komt.
  • Zo kunnen andere afweercellen het antigeen herkennen 

Slide 13 - Slide

Antilichaam
Beschermen je tegen ziekteverwekkers. Het antilichaam herkent en neutraliseert lichaamsvreemde eiwitten. Antilichamen worden ook wel immunoglobuline genoemd.  Binden zich aan één specifiek antigeen. 
Hoe?
  • Helpen andere afweercellen bij het opnemen van antigenen.
  • Maken giftige stoffen gemaakt door een bacterie, onschadelijk.
  • Vallen virussen en bacteriën aan.


Slide 14 - Slide

Hoe maakt een antilichaam een ziekteverwekker dan onschadelijk?
  • Blokkeren:  Ze binden zich aan de receptoren waarmee een virus of bacterie de lichaamscel kan binnendringen. Dan blokkeren ze omdat de receptor al bezet is.
  • Klonteren: De antilichamen kunnen meerdere schadelijke ziekteverwekkers tegelijk binden waardoor ze aan elkaar klonteren. 
  • Onbeweeglijk maken: Door dat binden worden de schadelijke ziekteverwekkers onbeweeglijk.
  • Celvernietiging: Binden zich aan het celmembraan waarna complementeiwitten de cel vernietigen. 

Slide 15 - Slide

Wat verstaan we onder antilichaam?
A
Ziekteverwekker
B
Auto immuun ziekte
C
Immunoglobuline
D
Vaccin

Slide 16 - Quiz

Dus..
Antigeen = lichaamsvreemde stof
Antilichaam (immunoglobuline) = beschermt je tegen ziekteverwekkers door zich er aan te binden. 

Slide 17 - Slide

Welke vorm van afweer wordt pas na de geboorte opgebouwd?
A
Aspecifieke afweer
B
Specifieke afweer
C
Mechanische afweer
D
Chemische afweer

Slide 18 - Quiz

Immunisatie
Proces waarbij het lichaam antilichamen en geheugencellen aanmaakt en dus sneller en actiever in actie komt bij een tweede contact met ziekteverwekker. 
  • Actieve immunisatie
  • Passieve immunisatie 

Slide 19 - Slide

Actieve immunisatie 
Het lichaam maakt zelf antilichamen aan na contact met ziekteverwekker
  • Natuurlijke actieve immunisatie: je afweerreactie komt op gang na contact schadelijke ziekteverwekker en produceert geheugencellen en antilichamen. Bij een volgend contact kan je lichaam de ziekteverwekker verweren. 
  • Kunstmatige actieve immunisatie: Een dode of verzwakte ziekteverwekker wordt in je lichaam gespoten, je lichaam wordt niet ziek maar maakt wel antilichamen en geheugencellen. (vaccinatie)

Slide 20 - Slide

Passieve immunisatie
Het lichaam krijgt antilichamen van buitenaf, er worden geen geheugencellen aangemaakt, dus de immuniteit is tijdelijk. 
  • Natuurlijke passieve immunisatie: Antilichamen komen via natuurlijke weg binnen, bijvoorbeeld via moederkoek of moedermelk.
  • Kunstmatige passieve immunisatie: in geval van nood (slangenbeet, beet van hond met hondsdolheid) krijgt patiënt antilichamen toegediend. 

Slide 21 - Slide

Ontsteking
  • Roodheid
  • Warmte
  • Pijn
  • Zwelling
  • Functieverlies 

Slide 22 - Slide

Hoe?
Beschadigende huidcel geeft signaalstof af (oa histamine) die de witte bloedcel waarschuwt  -> Bepaalde witte bloedcellen geven histamine af en histamine zortgt er onder andere voor dat de bloedvaten wijder worden  waardoor doorbloeding verbeterd (roodheid+warmte) -> witte bloedcellen gaan naar ontstoken gebied -> histamine maakt haarvaten beter doorlaatbaar waardoor extra weefselvocht met afweercellen en stollingsfactoren naar het ontstekingsgebied kan lekken (veroorzaakt zwelling) 

Slide 23 - Slide

Wat is lymfe?
Lymfe is een vloeistof waarin eiwitten, afvalstoffen en witte bloedcellen zitten. Het lymfestelsel vervoert lymfe door het lichaam, zuivert het en geeft het af aan het bloed. 

Slide 24 - Slide

Slide 25 - Slide

Wat is lymfe?
A
Water vermengd met bloed
B
Water dat zuurstof bevat
C
Water dat opgevangen wordt door lymfevaten.
D
Water dat voedingsstoffen bevat

Slide 26 - Quiz

Bloed en bloedgroepen
Op de rode bloedcellen zitten eiwitten die niet bij iedereen hetzelfde zijn, deze antigenen bepalen je bloedgroep. 
Er bestaan 4 bloedgroepen: AB, A, B en 0.
  • Bloedgroep B heeft altijd antigeen A
  • Bloedgroep A heeft altijd antigeen B
  • Bloedgroep 0 is universele donor
  • A kan alleen aan A of AB geven

Slide 27 - Slide

Slide 28 - Slide

Slide 29 - Slide

Resus 
Resus is een bepaald antigeen op het membraam van de rode bloedcel die je erft van je ouders. 
Dus: A-postief = bloedgroep A en aanwezigheid van resus antigeen. 
Als een resus-negatieve zwangere vrouw een resus-positief kind verwacht, kan deze rhesus (D)-factor van het kind aanleiding zijn tot het vormen van antistoffen door de moeder. Tijdens de zwangerschap, maar vooral tijdens de geboorte kunnen rode bloedcellen van het kind in de bloedbaan van de moeder terechtkomen. Omdat het lichaam van de moeder deze rhesus (D)-positieve rode bloedcellen als vreemd herkent, maakt het rhesus (D)-antistoffen aan. Dit gebeurt meestal pas na de bevalling. Daarom is de kans op problemen bij het eerste kind klein.
Wanneer de moeder tijdens een vorige zwangerschap rhesus (D)-antistoffen heeft aangemaakt, blijven deze in haar bloed aanwezig en kunnen ze bij een volgende zwangerschap via de placenta in de bloedsomloop van het (ongeboren) kind komen. Hierdoor kunnen dan problemen ontstaan wanneer zij een rhesus (D)-positief kind verwacht. Deze antistoffen van de moeder breken de rode bloedcellen van het kind af en zo krijgt het bloedarmoede. 

Slide 30 - Slide

Slide 31 - Slide

Resus positief hebben:
A
WEL antigenen resus
B
GEEN antigenen resus

Slide 32 - Quiz

Slide 33 - Slide