This lesson contains 50 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 50 min
Items in this lesson
les 11: zinsdelen
pag. 110
Slide 1 - Slide
Zinsleer
persoonsvorm (pv)
onderwerp (o)
WWG of NWG bepalen
naamwoordelijk deel (NWD)
lijdend voorwerp (LV)
meewerkendvoorwerp (MV)
voorzetselvoorwerp (VZV)
handelend voorwerp (HV)
bijwoordelijke bepalingen (BWB)
pag. 97
Slide 2 - Slide
woordleer
≠
zinsleer
Een zinsdeel kan uit verschillende woorden bestaan.
Bij woordleer benoem je elke woord apart. (= woordsoorten)
Slide 3 - Slide
Zinsleer is als een puzzel,
maar met een vaste volgorde.
Hoe begin je eraan?
Slide 4 - Slide
Stap 1: Zoek de PV
Slide 5 - Slide
Wat is de PV in volgende zin?
"Waarom wil 3NWb morgen niet gaan zwemmen in Oudenaarde?"
A
3NWb
B
wil
C
zwemmen
D
gaan
Slide 6 - Quiz
Stap 1: zoek de PV
Tip:
Stel een ja/neevraag --> Wil 3NWb morgen niet ...
Controle met de getalsproef --> Waarom willen zij morgen ...
Als de zin al een vraag is, zet je het in de verleden tijd. --> Waarom wou 3NWb morgen ...
Slide 7 - Slide
Stap 2: Zoek het O
Slide 8 - Slide
Zoek het O.
Wanneer is de les van Nederlands eigenlijk gedaan?
Slide 9 - Open question
Zoek het O.
' Deze ochtend is de wekker van Zerda jammer genoeg niet afgegaan.'
A
Deze ochtend
B
de wekker van Zerda
C
jammer genoeg
D
Zerda
Slide 10 - Quiz
Wat zijn zinsdelen?
zinsdeel = 1 woord
Ik ga wandelen. (O=1 woord)
zinsdeel = woordgroep
De sportieve jongen gaat wandelen. (O = woordgroep)
zinsdeel = zin
De sportieve jongen die wil winnen, gaat wandelen. (O = zin)
Slide 11 - Slide
Zin opsplitsen in zinsdelen
Alles wat je voor de PV kan zetten = 1 zinsdeel
- > het moet wel een correcte zin zijn.
Ik /ga /morgen /lopen / in het bos.//
Morgen ga ik lopen in het bos.
Lopen ga ik morgen in het bos.
In het bos ga ik morgen lopen.
Slide 12 - Slide
Stap 3a: bepaal WWG of NWG
Slide 13 - Slide
Stap 3b: bepaal WWG of NWG
zijn, worden, blijken, blijven, lijken, schijnen
Slide 14 - Slide
Marwan keek twijfelachtig naar het bord toen de leerkracht hem de zin liet ontleden.
A
NWG
B
WWG
Slide 15 - Quiz
Layla is altijd heel sterk geweest in zinsleer.
A
NWG
B
WWG
Slide 16 - Quiz
Yara zal nooit of te nimmer plezier beleven aan zinsleer.
A
NWG
B
WWG
Slide 17 - Quiz
Oefenen maar!
Cursus p. 110: oefening 1
Markeer het onderwerp.
Omcirkel de pv in elke zin.
Onderstreep de delen van het gezegde en benoem ze.
Slide 18 - Slide
Stap 4: Is er een LV?
WWG!
Slide 19 - Slide
Marzai geeft Sarah haar boek.
A
Marzai
B
Sarah
C
haar boek
D
geeft
Slide 20 - Quiz
Desiree en Selma dienden hun taak op donderdag niet in.
A
Desiree en Selma
B
hun taak
C
op donderdag
D
niet
Slide 21 - Quiz
Oefenen maar!
Cursus p. 111: oefening 2
Welke zinsdelen kunnen een lijdend voorwerp zijn?
Kies er vier uit en maak er een correcte zin mee waarin je dat zinsdeel als lijdend voorwerp gebruikt.
Slide 22 - Slide
Stap 5: Is er een MV?
Slide 23 - Slide
Fatima roept steeds het juiste antwoord voor heel de klas.
A
steeds
B
het juiste antwoord
C
de klas
D
voor heel de klas
Slide 24 - Quiz
Oscar fluistert Ikra het goede antwoord toe.
A
Oscar
B
Ikra
C
antwoord
D
het goede antwoord
Slide 25 - Quiz
Stap 6: Is er een VZV?
Hoort bij een werkwoord en kan je niet weglaten.
Figuurlijk gebruikt
vb: Ik wacht vol spanning op het antwoord dat hij me zou geven.
Slide 26 - Slide
Ze waarschuwt de leerlingen voor gevaarlijke situaties in de sneeuw.
A
Ze waarschuwt
B
voor gevaarlijke situaties
C
de leerlingen
D
in de sneeuw
Slide 27 - Quiz
De lerares rekent bij het maken van de toets altijd op haar beste leerlingen.
A
De lerares rekent
B
van de toets
C
bij het maken
D
op haar beste leerlingen
Slide 28 - Quiz
Stap 7: Is er een HV?
Komt enkel voor in passieve zinnen
Vraag stellen: door wie wordt iets gedaan?
vb: Door de chef wordt het gerecht met veel zorg bereid.
Slide 29 - Slide
De leraar liet de leerlingen de proef opnieuw uitvoeren.
A
De leraar
B
de leerlingen
C
de proef
D
opnieuw
Slide 30 - Quiz
De coach zag de spelers een nieuwe tactiek oefenen.
A
de spelers
B
een nieuwe tactiek
C
oefenen
D
De coach
Slide 31 - Quiz
Stap 8: Is er een BWB?
Slide 32 - Slide
Lainisha heeft gisteren haar agenda verloren in de klas van meneer Geerts.
A
gisteren
B
haar agenda
C
verloren
D
in de klas van meneer Geerts
Slide 33 - Quiz
Vorig jaar zaten Roza en Tuur niet in dezelfde klas tijdens Nederlands.
A
Vorig jaar
B
niet
C
in dezelfde klas
D
tijdens Nederlands
Slide 34 - Quiz
Oefenen maar!
Cursus p. 111: oefening 3
Duid in de zinnen de bepalingen aan (BWB). Opgelet: één zin heeft geen bepaling!
Extra oefening VZV of BWB?
Slide 35 - Slide
Wil je nog meer theorie?
--> meer theorie vind je in het stappenplan op Teams.
Slide 36 - Slide
De 8 stappen van zinsontleding
1. Stel een ja/nee-vraag. (of zet in VT) 2. Wie/Wat +PV(+alle werkwoorden)? 3. Bepaal of er ZWW/KWW/HWW zijn. 4. Wie/Wat +WWG+O? 5. Aan wie/wat + PV+O?
6. Werkwoord met vast voorzetsel?
7. Door wie wordt iets gedaan? 8. Hoe? Wanneer? Waar? Waarom?
1. Zoek de PV.
2. Zoek het O?
3. Bepaal WWG/NWG.
4. Is er een LV?
5. Is er een MV?
6. Voorzetselvoorwerp?
7. Handelend voorwerp?
8. Is er een BWB?
Slide 37 - Slide
Ontleed de zin:
Misschien moet je de leerkracht die vraag stellen als zij terug is.
Slide 38 - Slide
Ontleed de zin:
Misschien / moet / je / de leerkracht / die vraag / stellen / als zij terug is.//
BWB PV/HWW O MV LV ZWW/INF BWB
Slide 39 - Slide
Ontleed de zin:
Wanneer de bel klinkt in de gangen schrikt Najoua op.
Slide 40 - Slide
Ontleed de zin:
Wanneer de bel klinkt in de gangen / schrikt / Najoua / op.// WWG
BWB PV/ZWW O ADPV
Afgescheiden deel van de persoonsvorm --> opschrikken, opsluiten, aflaten,...
Slide 41 - Slide
Ontleed de zin:
Hawa heeft zich per ongeluk opgesloten in de meisjestoiletten.
Slide 42 - Slide
Ontleed de zin:
Hawa / heeft / zich / per ongeluk / opgesloten / in de meisjestoiletten.//WWG
O PV/ HWW WKVNW B ZWW/VD B
wederkerend voornaamwoord -> hoort bij een werkwoord (zich opsluiten, zich wassen, zich vergissen ...)
Slide 43 - Slide
Groepjes van 4
Neem pen en papier.
Slide 44 - Slide
Ontleed de zin
Duitse school /verbiedt/ joggingsbroeken.//
O+PV(zww)+ LV
Klaar? steek je papier in de lucht
Slide 45 - Slide
Ontleed de zin
Ik / schrok / me / dood / toen ik het las.//
Slide 46 - Slide
Ontleed de zin
BTS /maakt / na legerdienst/ comeback met alle leden.//
Slide 47 - Slide
Maak nu zelf een zin met volgende zinsdelen:
B+PV+O+B
O+PV+NWD+B
B+PV+O+LV+INF/ZWW
B+PV+O+LV+MV+INF/ZWW
timer
1:00
Slide 48 - Slide
Verander de zin zodat het niet met een O begint.
Jongeren zijn niet meer wat ze twintig of dertig jaar geleden waren.
Tegenwoordig zijn jongeren niet meer wat ze twintig of dertig jaar geleden waren.
Slide 49 - Slide
Verander de zin zodat het niet met een O begint.
Zij bepalen voor een groot stuk waar hun ouders geld aan uitgeven, dat is uit onderzoek gebleken.
Uit onderzoek is gebleken dat zij voor een groot stuk bepalen waar hun ouders geld aan uitgeven.