Basis spelling/ stijl

De basis van de Nederlandse taal 


stijl & spelling 
1 / 23
next
Slide 1: Slide
NederlandsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 4

This lesson contains 23 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

De basis van de Nederlandse taal 


stijl & spelling 

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

als / dan 

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

als / dan verschil?
ALS: gebruik je als er sprake is van gelijkheid. Je gebruikt vaak woorden als even, zelfde of zo(als).
  

> Hij is even groot als zij (is).
> Hij staat op dezelfde hoogte als Jan.
> Kees is zo groot als een reus.

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

als/ dan verschil? 
DAN: gebruik je als er sprake is van ongelijkheid. Als je twee dingen A en B vergelijkt en je wilt het verschil beschrijven.

Regel:
na de vergrotende trap gebruik je DAN.
> Hij is beter dan ik (ben).
> Hij is sterker dan zijn zoon.
> Deze laptop is goedkoper dan de vorige.

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Oefening!
1. De nieuwe spits scoort meer ..... men van hem verwachtte.
2. Ik denk dat Jenny daar meer van weet ...... Jurgen.
3. Hij is net zo groot ..... zijn vader.
4. In talen is hij veel beter ...... zijn broer.
5. Er werd twee keer zoveel verkocht ..... vorig jaar.

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Jou-jouw/mij-mijn/me-mijn/u-uw

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Persoonlijke- en bezittelijke voornaamwoorden
Wanneer gebruik je jou/jouw - u/uw – mij/mijn?
Tip: meestal als je het kunt vervangen door ‘mijn’.
jouw – uw = mijN (zijn, haar, ons, jullie= bezit)
jou – u = mij
> Dat is jouw/mijn antwoord => Dat antwoord is van jou/mij.
> Ik zet uw/mijn gegevens op de lijst.=> Die gegevens zijn van jou/mij.
> Het is mijn/jouw moeder =>Die moeder is van jou/mij.
   NIET: ME MOEDER!!!

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Deze - die - dit - dat - wat

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Meervoud met -en of -s

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Aaneenschrijven
Zelfstandig naamwoorden

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Aaneenschrijven
Werkwoorden 

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

Hoofdletters

Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Slide 21 - Slide

This item has no instructions

Bijvoeglijk naamwoord 
Het bijvoeglijk naamwoord zegt iets over het zelfstandig naamwoord. 

Het .......... kind

Slide 22 - Slide

Meestal staat het tussen het lidwoord en het zelfstandig naamwoord in. 
Soms staat het er achter. 

Zelfstandig naamwoord is een woord voor iets of iemand. Kunt er een lidwoord voor zetten. 
Aan de slag met Studiemeter :)
Starttaal online -> 2F / 3F -> Taalverzorging -> Spelling 
Starttaal online -> Thema 2 -> Lezen + eindtoets 

Slide 23 - Slide

This item has no instructions