LOWAN thema 1, voorzetsels

Voorzetsels
LOWAN thema 1
1 / 28
next
Slide 1: Slide
NT2Middelbare schoolvmbo, mavo, havo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 40 min

Items in this lesson

Voorzetsels
LOWAN thema 1

Slide 1 - Slide

Uitleg Diglin+ Lowan: voorzetsel +lezen in leesboekje

Slide 2 - Slide

Welkom
Dinsdag 25 november 2025

Slide 3 - Slide

Wat gaan we doen?
We gaan drie dingen doen:
  1. voorzetsels
  2. lezen 

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Link

Wat ga je vandaag leren?
  • Je leert de voorzetsels: op, voor, naast, onder.
  • Je oefent met het lezen van Nederlandse zinnen.

Slide 6 - Slide

Voorzetsel
De  zwarte  woorden  zijn een voorzetsel 

OP de kast
NAAST de kast
VOOR de tafel
Onder de kast


Slide 7 - Slide

De docent zit op de stoel.

Slide 8 - Slide

Hij schrijft op het bord.

Slide 9 - Slide

De docent staat voor het bord.

Slide 10 - Slide

De hond loopt voor de man.

Slide 11 - Slide

Het kind loopt naast de oma.

Slide 12 - Slide

Mohammed zit naast zijn vriend.

Slide 13 - Slide

De tas ligt onder de tafel.

Slide 14 - Slide

De vrouw zit onder de boom.

Slide 15 - Slide

Mohammed zit . . . . . zijn vriend.

A
op
B
voor
C
naast

Slide 16 - Quiz

De bomen staan ....... elkaar.
A
onder
B
op
C
naast

Slide 17 - Quiz

De stoelen staan
. . . . . de tafel.
A
naast
B
voor
C
op

Slide 18 - Quiz

De hond loopt
. . . . de man.
A
naast
B
op
C
voor

Slide 19 - Quiz

De docent staat . . . . . het bord.
A
naast
B
voor
C
op

Slide 20 - Quiz

De docent zit . . . . de tafel.
A
naast
B
op
C
voor

Slide 21 - Quiz

Hij schrijft . . . . . het bord.
A
achter
B
onder
C
op
D
met

Slide 22 - Quiz

De docent zit ......... de leerling.
A
naar
B
onder
C
naast

Slide 23 - Quiz

We gaan lezen.

Slide 24 - Slide

Slide 25 - Link

Slide 26 - Link

Wat ga je vandaag leren?
  • Je leert de voorzetsels: op, voor, naast, onder.
  • Je oefent met het lezen van Nederlandse zinnen.

Slide 27 - Slide

Wat heb je vandaag geleerd?
Ik ken de voorzetsels: op, voor, naast, onder.
Ik kan van Nederlandse zinnen lezen.

Slide 28 - Slide