,

Moduletoets H1, H2 en H3

Moduletoets H1, H2 en H3
1 / 38
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolvmbo g, t, mavoLeerjaar 4

This lesson contains 38 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Moduletoets H1, H2 en H3

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Belasting op aankopen
Btw
Accijns
&
Milieuheffingen
Indirecte belastingen

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Accijns

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Accijns en subsidie
Wil de overheid iets afremmen?


Wil de overheid iets stimuleren?
Accijns
Subsidie

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Waarom heft en overheid accijns op bepaalde producten?

Slide 5 - Open question

This item has no instructions

  1. Wat is accijns? Geef een korte uitleg van wat accijns betekent.
  2. Noem twee producten waar de overheid accijns op heft.
  3. Waarom heft de overheid accijns? Noem één reden en leg die uit.
VRAGENRONDE

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

'grenseffect'
Wat gebeurt er met de inkomsten van de overheid als de accijnzen in buurlanden
lager zijn?



Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Verschillende auto's

De nieuwprijs van een benzine auto is goedkoper dan een auto die op diesel rijdt. De brandstof benzine is duurder dan diesel. 

Hoe meer kilometers je maakt met een auto des te goedkoper diesel/elektrisch rijden wordt.

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Gemeentelijke belastingen
Woning eigenaar betaalt: Onroerendezaakbelasting (ozb)
ozb wordt berekend door percentage van de WOZ-waarde

Alle huishoudens betalen (dus ook huurhuizen):
- Rioolheffing
- Afvalstoffenheffing

Slide 9 - Slide

This item has no instructions


Wie betaalt de onroerendezaakbelasting (OZB)?
A
de eigenaar van een huis
B
de huurder van een huis
C
de gemeente
D
de makelaar

Slide 10 - Quiz

This item has no instructions

Wendy heeft een brutojaarinkomen van € 36.000,-. Daarnaast heeft ze net een huis gekocht van € 300.000 met een hypotheek van € 250.000,-. De hypotheekrente bij de bank is 4,5%. Het eigen woningforfait is 0,55%, de WOZ-waarde is € 270.000,-.
Bereken het eigen woningforfait.

Slide 11 - Open question

This item has no instructions

6.2 Hoeveel belasting betaal je? Box 1
Schijventarief
In box 1 betaal je belasting over je belastbaar inkomen uit werk en woning. Het belastbaar inkomen wordt verdeeld over 2 schijven (schijventarief).




Schijf
belastbaar inkomen
Tarief
1
tot € 73.031
36,93%
2
vanaf € 73.031
49,50%

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Rekenen met het schijventarief 
Druk de belasting die betaald moet worden uit in procenten van het belastbaar inkomen.

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Schijventarief en grondslagen

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

Belastbaar inkomen
Je betaalt belasting over je belastbaar inkomen. 

Het belastbaar inkomen bereken je als volgt:
Bruto inkomen + bijtellingen - aftrekposten= belastbaar inkomen

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

belastbare inkomen
bruto inkomen
           - heffingskortingen
                = te betalen belasting
                    - betaalde loonheffing
                                                 = te betalen/te ontvangen belasting 

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

In box 1 betaal je € 11.000 aan inkomstenbelasting. In box 3 betaal je € 500,- aan inkomstenbelasting. Via loonheffing heb je al € 10.000 betaald. Je hebt recht op de algemene heffingskorting €1996 en de arbeidskorting €2097. Hoeveel geld moet ik betalen aan/krijg ik terug van de belastingdienst?

Slide 17 - Open question

This item has no instructions

Groei & Stabiliteitspact (EMU)
EMU = Economische & Monetaire Unie (Eurolanden)

Regels over begroting, aan de hand van percentages van het BBP

Jaarlijks tekort (EMU-saldo) kleiner dan 3% van BBP
Staatsschuld (EMU-schuld) kleiner dan 60% van BBP

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Rijksbegroting
De rijksbegroting is een plan dat laat zien hoe de overheid van plan is geld uit te geven en in te zamelen.

Slide 19 - Slide

Beschrijf wat de rijksbegroting is en waarom het belangrijk is voor de overheidsfinanciën.
Is de Rijksbegroting in balans?


  • Begrotingstekort: 
  • De inkomsten zijn kleiner dan de uitgaven.

  • Overheidsschuld (staatsschuld): 
  • De overheid leent geld om begrotingstekort op te lossen.

  • Rentelasten overheidsschuld:
  • Rente die betaalt moeten worden over de schuld.



Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Omzet berekenen
Wat is omzet eigenlijk en waarom wil een bedrijf dit weten?
Omzet = afzet x verkoopprijs
Omzet is geen winst

Slide 21 - Slide

This item has no instructions

brutowinst berekenen: 
brutowinst = omzet - inkoopwaarde

Slide 22 - Slide

This item has no instructions

Nettowinst berekenen
nettowinst = brutowinst - bedrijfskosten

  • Met je strandtent heb je een brutowinst behaald van € 95.000.
  • De bedrijfskosten zijn € 49.000. 
  • De brutowinst is € 95.000 – € 49.000 = € 46.000

Slide 23 - Slide

This item has no instructions

Nettowinst
Nettowinst = Brutowinst - bedrijfskosten

Slide 24 - Slide

This item has no instructions

Kostprijs per product

Slide 25 - Slide

This item has no instructions

Kostprijs

Slide 26 - Slide

This item has no instructions

Afschrijvingskosten 
De aanschafprijs van een machine is €50.000. De machine gaat 8 jaar mee. De restwaarde is €12.500. Wat zijn de afschrijvingskosten per jaar?

Slide 27 - Slide

This item has no instructions

Bereken de brutowinst als percentage van de omzet (= brutowinstmarge)

Slide 28 - Open question

This item has no instructions

De inkoopprijs van de muffin was 0,95 euro. Brutowinst 0,25 euro. Wat is de brutowinstmarge van de inkoopprijs in procenten?

Slide 29 - Open question

This item has no instructions

De inkoopprijs van een fiets is €500,-.
De brutowinstmarge is 60%.
Bereken de consumentenprijs

Slide 30 - Open question

This item has no instructions

Van een ruime naar een krappe arbeidsmarkt.

Ruime arbeidsmarkt
  • Aanbod van arbeid is groter dan de vraag. 

Krappe arbeidsmarkt
  • Vraag naar arbeid is groter dan het aanbod. 

Slide 31 - Slide

This item has no instructions

Soorten werkloosheid
  • - Conjuncturele werkloosheid 
  • - Structurele werkloosheid
  • - Frictie werkloosheid 
  • - Seizoenswerkloosheid
  • - Regionale werkloosheid

Slide 32 - Slide

This item has no instructions

Soorten werkloosheid

Slide 33 - Slide

This item has no instructions

Arbeidsmarkt
Geheel van vraag naar arbeid en aanbod van arbeid.

Slide 34 - Slide

This item has no instructions

arbeidsmarkt
  • arbeidsmarkt
  • geheel van vraag naar arbeid (werkgelegenheid) en aanbod van arbeid (beroepsbevolking

  • krappe arbeidsmarkt
  • meer vraag naar arbeid dan aanbod van arbeid (dus meer werkgelegenheid dan personen die willen en kunnen werken)

  • ruime arbeidsmarkt
  • meer aanbod van arbeid dan vraag naar arbeid (dus meer mensen die willen en kunnen werken dan werkgelegenheid)

Slide 35 - Slide

This item has no instructions

Conjunctuur

Slide 36 - Slide

This item has no instructions

Laagconjunctuur....
A
consumenten kopen veel producten
B
weinig werkloosheid
C
veel werkloosheid
D
economische groei

Slide 37 - Quiz

This item has no instructions

Zorgt laagconjunctuur voor tijdelijke of structurele werkeloosheid?
A
Tijdelijk
B
Structurele

Slide 38 - Quiz

This item has no instructions