Herhalingsles Kosten en Break-even

Kosten en break-even herhalen. Geen laptop pakken!

1 / 47
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBedrijfseconomieMBOStudiejaar 4

This lesson contains 47 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 75 min
Report this lesson

Items in this lesson

Kosten en break-even herhalen. Geen laptop pakken!

Open met het idee dat bedrijven hun kosten moeten begrijpen om een goede verkoopprijs, winstdoel en minimale afzet te bepalen. Deze les verbindt alle begrippen in één rekenlijn.

Lesdoel

Ik kan vaste en variabele kosten, directe en indirecte kosten, afschrijving, rentekosten, de primitieve opslagmethode, het omslagpunt, schaalvergroting, de break-evenafzet, de break-evenomzet en de veiligheidsmarge uitleggen en berekenen.

This item has no instructions

Agenda


25 min Uitleg - herhalen

15 min Pauze

Huiswerk break-even voor de afwezige van vorige les

Werkblad break-even of herhaling

Volgende les H3

This item has no instructions

Welke woorden koppel jij aan break-even en kosten?

Gebruik de woordenwolk om voorkennis op te halen. Vraag door op begrippen als vaste kosten, winst, afzet, kostprijs en omzet.

Vaste en variabele kosten

  • Vaste kosten veranderen op korte termijn niet met de productie

  • Variabele kosten veranderen wel met de productie of verkoop

  • Samen vormen ze de totale kosten

Benadruk dat 'vast' niet betekent dat de kosten nooit veranderen, maar dat ze binnen een bepaalde periode gelijk blijven.

Voorbeelden van kostensoorten

Vaste kosten - huur, verzekeringen, afschrijving, rente

Variabele kosten - grondstoffen, verpakkingen, provisie per verkocht product


Bij meer afzet stijgen meestal alleen de variabele kosten direct mee.

Laat leerlingen opletten dat loon zowel vast als variabel kan zijn, afhankelijk van de situatie: vast salaris of stukloon/oproepkracht.

Welke kosten stijgen direct mee als de afzet toeneemt?

A

Variabele kosten

B

Vaste kosten

C

Indirecte kosten

D

Afschrijvingen

Toetst het onderscheid vast/variabel. Indirecte kosten en afschrijvingen zijn hier plausibele afleiders, omdat leerlingen indelingen soms mengen.

Directe en indirecte kosten

  • Directe kosten kun je meteen aan een product koppelen

  • Indirecte kosten kun je niet rechtstreeks per product aanwijzen

  • Indirecte kosten moeten worden verdeeld

Maak duidelijk dat direct/indirect iets anders is dan vast/variabel. Een kostensoort kan in theorie in beide indelingen voorkomen.

Voorbeelden per soort

Directe kosten - materiaal per product, direct loon, specifieke verpakking

Indirecte kosten - huur van het gebouw, energiekosten van de werkplaats, salaris van de administratie


Indirecte kosten noem je ook vaak overheadkosten.

This item has no instructions

Twee indelingen naast elkaar

Een kostensoort kun je op twee manieren bekijken:


  • vast of variabel

  • direct of indirect


Voorbeeld: huur is meestal vast en indirect. Grondstofkosten zijn vaak variabel en direct.

Dit is een belangrijk herhalingspunt, omdat leerlingen deze twee indelingen vaak door elkaar halen.

Waarom indirecte kosten verdelen?

  • Voor een volledige kostprijs

  • Om verkoopprijzen te kunnen onderbouwen

  • Om winst per product beter te beoordelen

This item has no instructions

Welke combinatie past bij huur van een bedrijfspand?

A

Variabel en direct

B

Vast en indirect

C

Vast en direct

D

Variabel en indirect

Sluit aan op de slide over twee indelingen naast elkaar.

Afschrijving

Afschrijving is de waardevermindering van een duurzaam productiemiddel, zoals een machine of bestelbus. Die kosten verdeel je over meerdere jaren.

Leg uit dat een machine niet in één keer als kosten wordt genomen als zij meerdere jaren meegaat. Zo sluit de kostenverdeling beter aan op het gebruik.

Formule afschrijving

Afschrijving per jaar = (aanschafwaarde - restwaarde) / gebruiksduur


Hiermee bereken je welk deel van de investering elk jaar als kosten meetelt.

This item has no instructions

Afschrijving in een voorbeeld

Machine van €50.000

Restwaarde €5.000

Gebruiksduur 5 jaar


Afschrijving per jaar = (€50.000 - €5.000) / 5 = €9.000

Laat zien dat afschrijving meestal tot de indirecte en vaste kosten behoort, tenzij in een specifieke situatie anders afgesproken wordt.

Rentekosten

Rentekosten zijn de kosten van het vermogen dat in het bedrijf of in een investering vastzit.

Noem dat rentekosten ook worden meegerekend als het eigen geld betreft: dat geld had elders ook rendement kunnen opleveren.

Gemiddeld geïnvesteerd vermogen

Gemiddeld geïnvesteerd vermogen = (aanschafwaarde + restwaarde) / 2


Voorbeeld:

(€50.000 + €5.000) / 2 = €27.500

Als de rente 8% is, zijn de rentekosten in dit voorbeeld €27.500 × 0,08 = €2.200 per jaar.

Formule rentekosten

Rentekosten = gemiddeld geïnvesteerd vermogen × rentepercentage

Rente in factor !

Vaak wordt eerst het gemiddeld geïnvesteerd vermogen berekend over de gebruiksduur.

This item has no instructions

Afschrijving en rente

Afschrijving is de waardevermindering van een duurzaam productiemiddel. De afschrijving per jaar bereken je met aanschafwaarde min restwaarde gedeeld door de gebruiksduur. Rentekosten bereken je met gemiddeld geïnvesteerd vermogen maal rentepercentage.

waardevermindering
restwaarde
rentepercentage
verkoopprijs
afzet
opslagpercentage
omzet

Herhaalt de kernformules zonder nieuwe context toe te voegen.

Primitieve opslagmethode

Bij de primitieve opslagmethode tel je een opslag voor indirecte kosten op bij de directe kosten. Zo kom je van directe kosten naar een volledige kostprijs.

Benadruk dat dit een eenvoudige verdeelmethode is. In latere lessen kunnen nauwkeurigere methoden volgen.

Opslagpercentage berekenen

Opslagpercentage = indirecte kosten / totale directe kosten × 100%


Daarna tel je deze opslag bij de directe kosten van een product op.

This item has no instructions

Primitieve opslagmethode in een voorbeeld

Indirecte kosten: €30.000

Totale directe kosten: €60.000


Opslagpercentage = €30.000 / €60.000 × 100% = 50%


Directe kosten product: €40

Opslag: 50% van €40 = €20

Volledige kostprijs: €60

Laat leerlingen goed onderscheiden: directe kosten horen direct bij het product, de opslag voegt een aandeel van de indirecte kosten toe.

Wat bereken je eerst bij de primitieve opslagmethode?

A

Break-evenomzet

B

Veiligheidsmarge

C

Opslagpercentage

D

Contributiemarge

Toetst de volgorde binnen de primitieve opslagmethode.

Opslagmethode aanvullen

Bij de primitieve opslagmethode tel je een opslag voor indirecte kosten op bij de directe kosten. Het opslagpercentage bereken je door indirecte kosten te delen door totale directe kosten. Zo ontstaat de volledige kostprijs van een product.

indirecte kosten
opslagpercentage
volledige kostprijs
vaste kosten
break-evenafzet
veiligheidsmarge
rentekosten

Controleert of leerlingen de termen in de juiste stap plaatsen.

Omslagpunt

Het omslagpunt is het punt waar totale opbrengsten gelijk zijn aan totale kosten.

Gebruik ook de term break-evenpunt en benoem dat er op dat punt geen winst en geen verlies is.

Wat gebeurt er rond het omslagpunt?

Onder het omslagpunt:

  • opbrengsten < kosten

  • verlies


Boven het omslagpunt:

  • opbrengsten > kosten

  • winst

This item has no instructions

Bijdrage per product

Contributiemarge per stuk = verkoopprijs - variabele kosten per stuk


Met deze bijdrage worden eerst de vaste kosten terugverdiend. Daarna ontstaat winst.

Hoewel sommige methodes de term dekkingsbijdrage gebruiken, blijf in deze les consequent bij contributiemarge als dat op school gebruikelijk is. Anders kun je in de les beide termen noemen.

Break-evenafzet

De break-evenafzet laat zien hoeveel producten een bedrijf minimaal moet verkopen om geen verlies te maken.

This item has no instructions

Formule break-evenafzet

Break-evenafzet = vaste kosten / contributiemarge per stuk


En:

contributiemarge per stuk = verkoopprijs - variabele kosten per stuk

This item has no instructions

Break-evenafzet berekenen

Vaste kosten: €20.000

Verkoopprijs: €50

Variabele kosten per stuk: €30


Contributiemarge per stuk = €20

Break-evenafzet = €20.000 / €20 = 1.000 stuks

Controleer samen de redenering: bij 1.000 stuks is de totale contributiemarge €20.000 en dus precies gelijk aan de vaste kosten.

Break-evenomzet

De break-evenomzet is de omzet die nodig is om precies alle kosten te dekken.

This item has no instructions

Formule break-evenomzet

Break-evenomzet = break-evenafzet × verkoopprijs


Als de break-evenafzet bekend is, kun je de break-evenomzet direct uitrekenen.

This item has no instructions

Break-evenomzet berekenen

Break-evenafzet: 1.000 stuks

Verkoopprijs: €50


Break-evenomzet = 1.000 × €50 = €50.000


Bij een omzet van €50.000 is er geen winst en geen verlies.

Leg het verschil nog eens uit: afzet gaat over aantallen, omzet gaat over geldbedragen.

Wat is de contributiemarge per stuk bij €80 verkoopprijs en €30 variabele kosten?

A

€30

B

€110

C

€50

D

€80

Essentiële tussenstap voor break-evenafzet.

Break-even aanvullen

Het omslagpunt is het punt waar totale opbrengsten gelijk zijn aan totale kosten. De break-evenafzet bereken je met vaste kosten gedeeld door de contributiemarge per stuk. De break-evenomzet is daarna de afzet maal de verkoopprijs.

omslagpunt
break-evenafzet
break-evenomzet
veiligheidsmarge
restwaarde
afschrijving
opslagpercentage

Verbindt begrip, formule en verschil tussen afzet en omzet.

Veiligheidsmarge

De veiligheidsmarge laat zien hoeveel de werkelijke verkoop nog mag dalen voordat het bedrijf verlies maakt.

Verbind dit begrip aan risico: hoe groter de veiligheidsmarge, hoe meer ruimte een bedrijf heeft.

Veiligheidsmarge berekenen

Veiligheidsmarge in afzet = werkelijke afzet - break-evenafzet


Veiligheidsmarge in omzet = werkelijke omzet - break-evenomzet

This item has no instructions

Veiligheidsmarge in een voorbeeld

Werkelijke afzet: 1.300 stuks

Break-evenafzet: 1.000 stuks


Veiligheidsmarge = 1.300 - 1.000 = 300 stuks


Het bedrijf kan dus 300 stuks minder verkopen voordat verlies ontstaat.

This item has no instructions

Schaalvergroting

Schaalvergroting betekent produceren of inkopen op grotere schaal.

Gebruik dit begrip als brug naar kostenvoordeel: groter werken kan de kosten per product verlagen, maar niet altijd onbeperkt.

Waarom schaalvergroting voordeel geeft

  • Vaste kosten worden over meer producten verdeeld

  • Inkoopvoordeel kan de variabele kosten per stuk verlagen

  • Machines en personeel kunnen efficiënter worden ingezet

This item has no instructions

Gevolg voor de kostprijs

Meer afzet → vaste kosten per stuk dalen

Lagere kosten per stuk → lagere kostprijs

Lagere kostprijs → meer ruimte voor winst of een lagere verkoopprijs

Wijs erop dat schaalvergroting vaak helpt bij concurrentie, omdat een bedrijf goedkoper kan produceren.

Wat betekent een veiligheidsmarge van 300 stuks?

A

Er is al €300 winst

B

De verkoopprijs daalt met 300

C

De afzet mag 300 dalen

D

De vaste kosten stijgen 300

Sluit direct aan op het voorbeeld op slide 30.

Hoe kan schaalvergroting de kostprijs verlagen?

Bespreek dat schaalvergroting vaste kosten per stuk kan verlagen en soms ook variabele kosten per stuk door inkoopvoordeel of efficiënter gebruik van machines en personeel.

Welk begrip uit deze les snap je nu beter?

Laat leerlingen kort terugblikken op hun belangrijkste inzicht uit de les.

Welk onderdeel vond je het lastigst vandaag?

Gebruik de antwoorden om te zien waar extra uitleg of oefening nodig is.

Begrippenlijst

vaste kosten - kosten die binnen een bepaalde periode niet veranderen door de productieomvang

variabele kosten - kosten die wel veranderen als de productie of afzet verandert

directe kosten - kosten die rechtstreeks aan een product zijn toe te rekenen

indirecte kosten - kosten die niet rechtstreeks aan één product zijn toe te rekenen

afschrijving - jaarlijkse verdeling van de waardevermindering van een duurzaam productiemiddel

rentekosten - kosten van het vermogen dat in een investering of in het bedrijf vastzit

primitieve opslagmethode - eenvoudige methode om indirecte kosten via een opslag toe te voegen aan directe kosten

This item has no instructions

Begrippenlijst

omslagpunt - punt waar totale opbrengsten gelijk zijn aan totale kosten

contributiemarge per stuk - verkoopprijs per stuk min variabele kosten per stuk

break-evenafzet - aantal producten dat verkocht moet worden om geen verlies te maken

break-evenomzet - omzet die nodig is om precies alle kosten te dekken

veiligheidsmarge - verschil tussen werkelijke verkoop en het break-evenpunt

schaalvergroting - produceren of inkopen op grotere schaal om voordelen te behalen

This item has no instructions