Rekenwoorden: optellen en aftrekken

Rekenwoorden bij sommen

1 / 50
next
Slide 1: Slide
New lesson editorRekenenISK

This lesson contains 50 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 20 min
Report this lesson

Items in this lesson

Rekenwoorden bij sommen

Deze les is voor ISK-studenten op A1-niveau. Spreek de woorden langzaam uit en wijs steeds het rekenwoord aan.

Lesdoel

Ik kan simpele rekenwoorden voor optellen en aftrekken herkennen en gebruiken in een som.

This item has no instructions

Welke rekenwoorden ken jij al?

Laat leerlingen één of meer woorden noemen, bijvoorbeeld plus, min, erbij of eraf. Gebruik de woordenwolk om voorkennis te activeren.

Plus

  • plus

  • Ik heb 2 appels plus 3 appels. Hoeveel appels heb ik?


2 + 3 = 5


Ik heb 5 appels.

This item has no instructions

Erbij

erbij


Ik heb 2 koekjes en ik doe 3 erbij. Hoeveel koekjes heb ik?


2 + 3 = 5


Ik heb 5 koekjes.

This item has no instructions

Samen

samen


Er zijn 4 jongens en 2 meisjes samen in de klas. Hoeveel kinderen zijn er?


4 + 2 = 6


Er zijn 6 kinderen.

This item has no instructions

Totaal

totaal


Ik koop 1 brood en 2 bananen. Hoeveel producten heb ik totaal?


1 + 2 = 3


Ik heb 3 producten.

This item has no instructions

In totaal

in totaal


Er liggen 5 pennen op tafel en 2 in de tas. Hoeveel pennen zijn er in totaal?


5 + 2 = 7


Er zijn 7 pennen in totaal.

This item has no instructions

Alles bij elkaar

alles bij elkaar


Ik heb 3 euro en 4 euro. Hoeveel geld is dat alles bij elkaar?


3 + 4 = 7


Dat is 7 euro.

This item has no instructions

Optellen

optellen


We gaan 6 en 2 optellen. Hoeveel is dat?


6 + 2 = 8


Het antwoord is 8.

This item has no instructions

Meer

meer


Sara heeft 2 boeken. Ali heeft 3 boeken meer. Hoeveel boeken heeft Ali?


2 + 3 = 5


Ali heeft 5 boeken.

Leg uit dat 'meer' vaak betekent dat er iets bijkomt. Houd het voorbeeld eenvoudig, ook al kan 'meer dan' in andere sommen vergelijking betekenen.

Welk woord past bij deze som: 3 + 2 = 5?

A

eraf

B

plus

C

over

D

min

Check of leerlingen plus herkennen als optelwoord. De afleiders zijn aftrekwoorden uit de volgende reeks.

Kies het goede rekenwoord

Ik heb 2 koekjes en ik doe 3 erbij. Dan heb ik 5 koekjes. Er zijn 4 jongens en 2 meisjes samen in de klas. Dat is 6 kinderen. Ik heb 3 euro en 4 euro. Dat is 7 euro alles bij elkaar.

erbij
samen
alles bij elkaar
eraf
min
over
minder

Alle drie de juiste antwoorden komen letterlijk uit de voorbeelden op de optel-slides.

Ali heeft 2 stickers. Noor heeft 4 stickers meer. Hoeveel heeft Noor?

A

7

B

6

C

5

D

4

Hier betekent meer dat er iets bijkomt: 2 + 4 = 6.

Min

min


Ik heb 7 snoepjes min 2 snoepjes. Hoeveel snoepjes heb ik nog?


7 - 2 = 5


Ik heb nog 5 snoepjes.

This item has no instructions

Eraf

eraf


Er liggen 8 appels. Ik pak er 3 eraf. Hoeveel appels liggen er nog?


8 - 3 = 5


Er liggen nog 5 appels.

This item has no instructions

Aftrekken

aftrekken


We gaan 9 en 4 aftrekken. Hoeveel blijft over?


9 - 4 = 5


Er blijft 5 over.

This item has no instructions

Verschil

verschil


Het verschil tussen 8 en 3 is hoeveel?


8 - 3 = 5


Het verschil is 5.

This item has no instructions

Minder

minder


Ik heb 9 euro. Ik geef 4 euro weg. Dan heb ik 4 euro minder. Hoeveel heb ik nog?


9 - 4 = 5


Ik heb nog 5 euro.

De zin is eenvoudig gehouden voor A1. Benadruk dat 'minder' hier bij aftrekken hoort.

Over

over


Er zijn 6 koekjes. Ik eet er 2. Hoeveel zijn er over?


6 - 2 = 4


Er zijn 4 koekjes over.

This item has no instructions

Wegnemen

wegnemen


Er liggen 10 blokken. Ik wegneem 3 blokken. Hoeveel blokken zijn er nog?


10 - 3 = 7


Er zijn nog 7 blokken.

Je kunt mondeling ook zeggen: 'Ik neem 3 blokken weg.'

Overzicht van de rekenwoorden

Optellen

Boven rechts op de as


min


eraf


aftrekken


verschil


minder


over


wegnemen

Aftrekken

Boven links op de as


plus


erbij


samen


totaal


in totaal


alles bij elkaar


optellen


meer

De gebruiker vroeg om een slide met een x- en ij-as en woorden in de twee bovenste kwadranten. In deze JSON is geen tekenfunctie beschikbaar, dus de inhoud geeft precies aan wat in de kwadranten moet staan. Links boven: optellen. Rechts boven: aftrekken.

Welk woord past bij deze som: 8 - 3 = 5?

A

totaal

B

samen

C

min

D

plus

Snelle check of leerlingen het verschil tussen optellen en aftrekken zien.

Vul de rekenwoorden in

Er liggen 8 appels. Ik pak er 3 eraf. Dan blijven 5 appels over. Het verschil tussen 8 en 3 is dus 5.

eraf
over
verschil
erbij
samen
plus
totaal

De context dwingt elke plek: eraf bij weghalen, over bij wat nog blijft, verschil bij vergelijking.

Er zijn 6 koekjes. Ik eet er 2. Hoeveel zijn er over?

A

3

B

5

C

4

D

8

Toepassing van het woord over: 6 - 2 = 4.

Meerkeuze 1

Sam heeft 2 potloden. Hij krijgt er 3 bij. Hoeveel potloden heeft hij?


A. 4

B. 5

C. 6


Goed antwoord: B


2 + 3 = 5

This item has no instructions

Meerkeuze 2

Er liggen 4 boeken op tafel en 2 boeken in de tas. Hoeveel boeken zijn er samen?


A. 5

B. 6

C. 7


Goed antwoord: B


4 + 2 = 6

This item has no instructions

Meerkeuze 3

Aya koopt 3 bananen plus 2 appels. Hoeveel stuks fruit heeft zij?


A. 4

B. 5

C. 6


Goed antwoord: B


3 + 2 = 5

This item has no instructions

Meerkeuze 4

Er zijn 5 kinderen buiten en 3 kinderen binnen. Hoeveel kinderen zijn er in totaal?


A. 7

B. 8

C. 9


Goed antwoord: B


5 + 3 = 8

This item has no instructions

Meerkeuze 5

Ik heb 1 euro en 6 euro. Hoeveel geld is dat alles bij elkaar?


A. 6

B. 7

C. 8


Goed antwoord: B


1 + 6 = 7

This item has no instructions

Meerkeuze 6

We gaan 4 en 5 optellen. Wat is het antwoord?


A. 8

B. 9

C. 10


Goed antwoord: B


4 + 5 = 9

This item has no instructions

Meerkeuze 7

Ali heeft 2 stickers. Noor heeft 4 stickers meer. Hoeveel stickers heeft Noor?


A. 5

B. 6

C. 7


Goed antwoord: B


2 + 4 = 6

This item has no instructions

Meerkeuze 8

Er liggen 9 koekjes. Ik pak er 2 eraf. Hoeveel koekjes zijn er nog?


A. 6

B. 7

C. 8


Goed antwoord: B


9 - 2 = 7

This item has no instructions

Meerkeuze 9

Ik heb 8 knikkers min 3 knikkers. Hoeveel knikkers heb ik nog?


A. 4

B. 5

C. 6


Goed antwoord: B


8 - 3 = 5

This item has no instructions

Meerkeuze 10

We gaan 10 en 4 aftrekken. Wat blijft over?


A. 5

B. 6

C. 7


Goed antwoord: B


10 - 4 = 6

This item has no instructions

Meerkeuze 11

Het verschil tussen 7 en 2 is:


A. 4

B. 5

C. 6


Goed antwoord: B


7 - 2 = 5

This item has no instructions

Meerkeuze 12

Mila heeft 9 kralen. Ze heeft nu 3 kralen minder. Hoeveel kralen heeft Mila nu?


A. 5

B. 6

C. 7


Goed antwoord: B


9 - 3 = 6

This item has no instructions

Meerkeuze 13

Er zijn 6 snoepjes. Ik eet er 1. Hoeveel snoepjes zijn over?


A. 4

B. 5

C. 6


Goed antwoord: B


6 - 1 = 5

This item has no instructions

Meerkeuze 14

Er liggen 8 blokken. Ik wegneem 5 blokken. Hoeveel blokken zijn er nog?


A. 2

B. 3

C. 4


Goed antwoord: B


8 - 5 = 3

This item has no instructions

Meerkeuze 15

Er zijn 2 katten binnen en 4 katten buiten. Hoeveel katten zijn er totaal?


A. 5

B. 6

C. 7


Goed antwoord: B


2 + 4 = 6

This item has no instructions

Meerkeuze 16

Ik heb 7 euro. Ik geef 2 euro weg. Hoeveel euro heb ik over?


A. 4

B. 5

C. 6


Goed antwoord: B


7 - 2 = 5

This item has no instructions

Er liggen 4 boeken en 2 boeken. Hoeveel zijn er samen?

A

7

B

5

C

6

D

8

Herhaling van een optelwoord in een nieuwe vraagvorm zonder voorgedrukte oplossing.

Optellen of aftrekken?

We gaan 4 en 5 optellen. Het antwoord is 9. We gaan 10 en 4 aftrekken. Dan blijft 6 over.

optellen
aftrekken
over
plus
min
meer
samen

Deze check koppelt de werkwoorden optellen en aftrekken aan de juiste soort som.

Er liggen 8 blokken. Ik wegneem 5 blokken. Hoeveel zijn er nog?

A

2

B

4

C

5

D

3

Laat leerlingen hardop de som zeggen: 8 - 5 = 3.

Welk rekenwoord onthoud jij goed?

Bespreek welk rekenwoord de leerling het beste onthouden heeft en waarom, bijvoorbeeld door het voorbeeld of door de som.

Welk woord vind jij nog moeilijk?

Luister of leerlingen kunnen benoemen wat nog lastig is, zoals meer, verschil, over of minder. Geen fout antwoord.

Wat hielp jou vandaag bij rekenen?

Mogelijke antwoorden: voorbeeldzinnen, sommen zien, woorden herhalen, samen oefenen. Gebruik dit als korte lesreflectie.

Begrippenlijst

plus - erbij doen

erbij - iets extra toevoegen

samen - bij elkaar

totaal - alles samen

in totaal - alles samen geteld

alles bij elkaar - alles samen

optellen - getallen bij elkaar doen

This item has no instructions

Begrippenlijst

meer - een groter aantal erbij

min - er gaat iets af

eraf - iets weghalen

aftrekken - iets van een getal afhalen

verschil - wat overblijft tussen twee getallen

minder - een kleiner aantal

over - wat nog blijft

This item has no instructions

Begrippenlijst

wegnemen - iets weghalen

This item has no instructions