Rekenwoorden bij sommen
Rekenwoorden bij sommen
Deze les is voor ISK-studenten op A1-niveau. Spreek de woorden langzaam uit en wijs steeds het rekenwoord aan.
Lesdoel
Ik kan simpele rekenwoorden voor optellen en aftrekken herkennen en gebruiken in een som.
This item has no instructions
Welke rekenwoorden ken jij al?
Laat leerlingen één of meer woorden noemen, bijvoorbeeld plus, min, erbij of eraf. Gebruik de woordenwolk om voorkennis te activeren.
Plus
plus
Ik heb 2 appels plus 3 appels. Hoeveel appels heb ik?
2 + 3 = 5
Ik heb 5 appels.
This item has no instructions
Erbij
erbij
Ik heb 2 koekjes en ik doe 3 erbij. Hoeveel koekjes heb ik?
2 + 3 = 5
Ik heb 5 koekjes.
This item has no instructions
Samen
samen
Er zijn 4 jongens en 2 meisjes samen in de klas. Hoeveel kinderen zijn er?
4 + 2 = 6
Er zijn 6 kinderen.
This item has no instructions
Totaal
totaal
Ik koop 1 brood en 2 bananen. Hoeveel producten heb ik totaal?
1 + 2 = 3
Ik heb 3 producten.
This item has no instructions
In totaal
in totaal
Er liggen 5 pennen op tafel en 2 in de tas. Hoeveel pennen zijn er in totaal?
5 + 2 = 7
Er zijn 7 pennen in totaal.
This item has no instructions
Alles bij elkaar
alles bij elkaar
Ik heb 3 euro en 4 euro. Hoeveel geld is dat alles bij elkaar?
3 + 4 = 7
Dat is 7 euro.
This item has no instructions
Optellen
optellen
We gaan 6 en 2 optellen. Hoeveel is dat?
6 + 2 = 8
Het antwoord is 8.
This item has no instructions
Meer
meer
Sara heeft 2 boeken. Ali heeft 3 boeken meer. Hoeveel boeken heeft Ali?
2 + 3 = 5
Ali heeft 5 boeken.
Leg uit dat 'meer' vaak betekent dat er iets bijkomt. Houd het voorbeeld eenvoudig, ook al kan 'meer dan' in andere sommen vergelijking betekenen.
Welk woord past bij deze som: 3 + 2 = 5?
eraf
plus
over
min
Check of leerlingen plus herkennen als optelwoord. De afleiders zijn aftrekwoorden uit de volgende reeks.
Kies het goede rekenwoord
Ik heb 2 koekjes en ik doe 3 erbij. Dan heb ik 5 koekjes. Er zijn 4 jongens en 2 meisjes samen in de klas. Dat is 6 kinderen. Ik heb 3 euro en 4 euro. Dat is 7 euro alles bij elkaar.
Alle drie de juiste antwoorden komen letterlijk uit de voorbeelden op de optel-slides.
Ali heeft 2 stickers. Noor heeft 4 stickers meer. Hoeveel heeft Noor?
7
6
5
4
Hier betekent meer dat er iets bijkomt: 2 + 4 = 6.
Min
min
Ik heb 7 snoepjes min 2 snoepjes. Hoeveel snoepjes heb ik nog?
7 - 2 = 5
Ik heb nog 5 snoepjes.
This item has no instructions
Eraf
eraf
Er liggen 8 appels. Ik pak er 3 eraf. Hoeveel appels liggen er nog?
8 - 3 = 5
Er liggen nog 5 appels.
This item has no instructions
Aftrekken
aftrekken
We gaan 9 en 4 aftrekken. Hoeveel blijft over?
9 - 4 = 5
Er blijft 5 over.
This item has no instructions
Verschil
verschil
Het verschil tussen 8 en 3 is hoeveel?
8 - 3 = 5
Het verschil is 5.
This item has no instructions
Minder
minder
Ik heb 9 euro. Ik geef 4 euro weg. Dan heb ik 4 euro minder. Hoeveel heb ik nog?
9 - 4 = 5
Ik heb nog 5 euro.
De zin is eenvoudig gehouden voor A1. Benadruk dat 'minder' hier bij aftrekken hoort.
Over
over
Er zijn 6 koekjes. Ik eet er 2. Hoeveel zijn er over?
6 - 2 = 4
Er zijn 4 koekjes over.
This item has no instructions
Wegnemen
wegnemen
Er liggen 10 blokken. Ik wegneem 3 blokken. Hoeveel blokken zijn er nog?
10 - 3 = 7
Er zijn nog 7 blokken.
Je kunt mondeling ook zeggen: 'Ik neem 3 blokken weg.'
Overzicht van de rekenwoorden
Optellen
Boven rechts op de as
min
eraf
aftrekken
verschil
minder
over
wegnemen
Aftrekken
Boven links op de as
plus
erbij
samen
totaal
in totaal
alles bij elkaar
optellen
meer
De gebruiker vroeg om een slide met een x- en ij-as en woorden in de twee bovenste kwadranten. In deze JSON is geen tekenfunctie beschikbaar, dus de inhoud geeft precies aan wat in de kwadranten moet staan. Links boven: optellen. Rechts boven: aftrekken.
Welk woord past bij deze som: 8 - 3 = 5?
totaal
samen
min
plus
Snelle check of leerlingen het verschil tussen optellen en aftrekken zien.
Vul de rekenwoorden in
Er liggen 8 appels. Ik pak er 3 eraf. Dan blijven 5 appels over. Het verschil tussen 8 en 3 is dus 5.
De context dwingt elke plek: eraf bij weghalen, over bij wat nog blijft, verschil bij vergelijking.
Er zijn 6 koekjes. Ik eet er 2. Hoeveel zijn er over?
3
5
4
8
Toepassing van het woord over: 6 - 2 = 4.
Meerkeuze 1
Sam heeft 2 potloden. Hij krijgt er 3 bij. Hoeveel potloden heeft hij?
A. 4
B. 5
C. 6
Goed antwoord: B
2 + 3 = 5
This item has no instructions
Meerkeuze 2
Er liggen 4 boeken op tafel en 2 boeken in de tas. Hoeveel boeken zijn er samen?
A. 5
B. 6
C. 7
Goed antwoord: B
4 + 2 = 6
This item has no instructions
Meerkeuze 3
Aya koopt 3 bananen plus 2 appels. Hoeveel stuks fruit heeft zij?
A. 4
B. 5
C. 6
Goed antwoord: B
3 + 2 = 5
This item has no instructions
Meerkeuze 4
Er zijn 5 kinderen buiten en 3 kinderen binnen. Hoeveel kinderen zijn er in totaal?
A. 7
B. 8
C. 9
Goed antwoord: B
5 + 3 = 8
This item has no instructions
Meerkeuze 5
Ik heb 1 euro en 6 euro. Hoeveel geld is dat alles bij elkaar?
A. 6
B. 7
C. 8
Goed antwoord: B
1 + 6 = 7
This item has no instructions
Meerkeuze 6
We gaan 4 en 5 optellen. Wat is het antwoord?
A. 8
B. 9
C. 10
Goed antwoord: B
4 + 5 = 9
This item has no instructions
Meerkeuze 7
Ali heeft 2 stickers. Noor heeft 4 stickers meer. Hoeveel stickers heeft Noor?
A. 5
B. 6
C. 7
Goed antwoord: B
2 + 4 = 6
This item has no instructions
Meerkeuze 8
Er liggen 9 koekjes. Ik pak er 2 eraf. Hoeveel koekjes zijn er nog?
A. 6
B. 7
C. 8
Goed antwoord: B
9 - 2 = 7
This item has no instructions
Meerkeuze 9
Ik heb 8 knikkers min 3 knikkers. Hoeveel knikkers heb ik nog?
A. 4
B. 5
C. 6
Goed antwoord: B
8 - 3 = 5
This item has no instructions
Meerkeuze 10
We gaan 10 en 4 aftrekken. Wat blijft over?
A. 5
B. 6
C. 7
Goed antwoord: B
10 - 4 = 6
This item has no instructions
Meerkeuze 11
Het verschil tussen 7 en 2 is:
A. 4
B. 5
C. 6
Goed antwoord: B
7 - 2 = 5
This item has no instructions
Meerkeuze 12
Mila heeft 9 kralen. Ze heeft nu 3 kralen minder. Hoeveel kralen heeft Mila nu?
A. 5
B. 6
C. 7
Goed antwoord: B
9 - 3 = 6
This item has no instructions
Meerkeuze 13
Er zijn 6 snoepjes. Ik eet er 1. Hoeveel snoepjes zijn over?
A. 4
B. 5
C. 6
Goed antwoord: B
6 - 1 = 5
This item has no instructions
Meerkeuze 14
Er liggen 8 blokken. Ik wegneem 5 blokken. Hoeveel blokken zijn er nog?
A. 2
B. 3
C. 4
Goed antwoord: B
8 - 5 = 3
This item has no instructions
Meerkeuze 15
Er zijn 2 katten binnen en 4 katten buiten. Hoeveel katten zijn er totaal?
A. 5
B. 6
C. 7
Goed antwoord: B
2 + 4 = 6
This item has no instructions
Meerkeuze 16
Ik heb 7 euro. Ik geef 2 euro weg. Hoeveel euro heb ik over?
A. 4
B. 5
C. 6
Goed antwoord: B
7 - 2 = 5
This item has no instructions
Er liggen 4 boeken en 2 boeken. Hoeveel zijn er samen?
7
5
6
8
Herhaling van een optelwoord in een nieuwe vraagvorm zonder voorgedrukte oplossing.
Optellen of aftrekken?
We gaan 4 en 5 optellen. Het antwoord is 9. We gaan 10 en 4 aftrekken. Dan blijft 6 over.
Deze check koppelt de werkwoorden optellen en aftrekken aan de juiste soort som.
Er liggen 8 blokken. Ik wegneem 5 blokken. Hoeveel zijn er nog?
2
4
5
3
Laat leerlingen hardop de som zeggen: 8 - 5 = 3.
Welk rekenwoord onthoud jij goed?
Bespreek welk rekenwoord de leerling het beste onthouden heeft en waarom, bijvoorbeeld door het voorbeeld of door de som.
Welk woord vind jij nog moeilijk?
Luister of leerlingen kunnen benoemen wat nog lastig is, zoals meer, verschil, over of minder. Geen fout antwoord.
Wat hielp jou vandaag bij rekenen?
Mogelijke antwoorden: voorbeeldzinnen, sommen zien, woorden herhalen, samen oefenen. Gebruik dit als korte lesreflectie.
Begrippenlijst
plus - erbij doen
erbij - iets extra toevoegen
samen - bij elkaar
totaal - alles samen
in totaal - alles samen geteld
alles bij elkaar - alles samen
optellen - getallen bij elkaar doen
This item has no instructions
Begrippenlijst
meer - een groter aantal erbij
min - er gaat iets af
eraf - iets weghalen
aftrekken - iets van een getal afhalen
verschil - wat overblijft tussen twee getallen
minder - een kleiner aantal
over - wat nog blijft
This item has no instructions
Begrippenlijst
wegnemen - iets weghalen
This item has no instructions